Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zóó ver, dat aij aan den beroepsarbeid der vrouw den voorrang toekenden, als bet eerst noodige voor de ontplooiing barer persoonlijkheid, en daaraan de verzorging van bet gezin ten offer wilden brengen. Maar ook wie zoover niet durfden gaan, streefden naar eenle vervorming en inkrimping van den haiaelijken arbeid, of trachtten moederschap en beroepsarbeid op min of meer gebrekkige wijze met elkander te vereenigen.

Er doet tach hier een probleem voor, dat op zichzelf reeds allerlei moeilijkheden insluit, en waarmede ook de overheid in aanraking komt, als h&ar ambtenaressen iia het huwelijk treden en een huisgezin te verzorgen krijgen. Eèn Koninklijk Besluit van 2 Maart 1904 bepaalde, dat alleen ongehuwde vrouwen bij den post- eni telegraafdienst zouden kunnen worden aangesteld, en dat vrouwelijke ambtenaren, die in het huwelijk traden, eervol uit den dienst zouden worden ontslagen. De Minister, die dit Besluit uitlokte, voerde drie redenen voor deze zijne handelwijze aan: in de eerste plaats staat de gehuwde ambtenares niet altijd en overal ter beschikking voor haar dienst, terwijl overplaatsing de vrouw en moeder van haar man en gezin verwijdert; ten andere kan eenje ambtenares in zwangeren toestand haar dienst niet steeds stipt en op tijd aanvangen, noch geregeld en naar behooren waarnemen; en ten| derde zou zij in zulk een toestand, noch met het oog op zichzelve, noch ook met het oog op het publiek, op een kantoor en Voor het loket op hare plaats zijn. Verschillende gemeenteraden, Veendam, Botterdam, Amsterdam enz., namen daarna soortgelijk besluit ten aanzien van onderwijzeressen, die in het huwelijk treden of in zwangeren toestand verkeeren. Maar het Koninklijk Besluit van 1904 werd reeds op 3 October 1907, onder het Kabinetde Meester weder ingetrokken. En een wetsontwerp van Minister Heemskerk, tot regeling van die positie van vrouwelijke rijksambtenaren en onderwijzeressen bij bet openbaar lager onderwijs, die in het huwelijk treden, dat aan den onzekeren toestand een einde wilde maken en daarom bepaalde, dat ambtenaressen en onderwijzeressen bij de intrede in het huwelijk eervol zouden worden ontslagen, ontmoette hevige bestrijding, en werd ook nimmer tot wet verheven.

De tegenstanders van een dergelijk ontslag brengen daartegen allerlei bezwaren in. Zij voeren aan, dat een ontslag uitsluitend gegeven mag worden bij gebleken ongeschiktheid tot den dienst, dat zulke ongeschiktheid echter bij het aangaan van een huwelijk niet blijkt, en bij zwangerschap en moederschap door een/ tijdelijk verlof van eenige weken ondervangen kan worden. Maar ten eerste staat het recht, om zulk eene ontslagbepaling in bet dienstcontract op te nemen, voor eiken werkgever en ook voor de overheid vast; ten' andere zijn in den regei, enkele zeldzame uitzonderingen misschien daargelaten, beroepsarbeid en moederschap, wat men ook redeneere, met elkander onvereenigbaar, zoodat de meeste vrouwen, als zij in het huwelijk treden, den beroepsarbeid latenl varen; en ten derde hangt het streven, om beide toch te vereenigen, met moderne denkbeelden! saam, die indruiechen tegen de grondslagen, waarop huwelijk, gezin en maatschappij zijn opgebouwd. Maar juist, omdat deze moderne

14

Sluiten