Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

en ebbe in de zee, als de middelpunt-zoekende en de middelpunt-vliedende kracht in de natuur. Als de groot-industrie vrouwen en kinderen naar de fabrieken roept, hunne arbeidskracht op egoïstische wijze exploiteert, en tal van offers maakt, dan komt uit de maatschappij zelve de reactie op, die om hulp en bescherming smeekt en aan de uitbuiting paal en perk gesteld wil zien.

Zulk eene reactie is van groote beteekenis. Ze is daaraan te danken, dat er in de maatschappij nog andere dan physische krachten werkeni, n.1. religieuse, ethische, hygiënische, aesthetische enz. En deze maken de consciëntie wakker en vernieuwen het besef, dat vaders hunne kinderen niet tot toorn mogen verwekken, dat heeren! hunne dienstknechten niet mogen behandelen als slaven, dat vrouwen hare dienstboden niet mogen afbeulen, dat er in één woord tusschen alle menschen onderling zedelijke verhoudingen bestaan, die in de wet Gods gegrond zijn en in de consciëntie weerklank vinden. Deze ethische verhoudingen worden tegenlwoordig meestal van weinig waarde geacht; men wil thans alle verhoudingen regelen door schriftelijke contracten en wettelijke overeenkomsten, door scherpe afbakening van rechten enj plichten over en weer. Maar als het ethische element in de menschelijke verhoudingen gaat ontbreken, en ze alleenj door wet en recht, door macht en dwang geregeld moeten worden, dan vallen alle klassen in de maatschappij uiteen, komen ze vijandig tegeniover elkaar te staan en triumfeert het recht van den sterkste. Het socialisme verklaart zich vóór het pacifisme tusschen de volken, maar het predikt door zijn klassenstrijd de revolutie in de maatschappij.

De herleving van het religieus-ethische bewustzijn ten aanzien van de sociale verhoudingen is de grondslag, waarop, zoo noodig, de staat alleen zijne wetgeving opbouwen kan. Als deze zedelijke beseffen ontbreken, is alle wetgeving machteloos; want „de staat vermag niet persoonlijk leven te wekken", en kan ook de verhoudingen in de maatschappij niet regelen, zooals ze naar de zedewet behooren te zijn. Hiertoe is niet uitsluitend, maar toch met name de kerk in staat, die tegenwoordig wel algemeen geminacht wordt, maar toch door hare voortdurende prediking en stillen arbeid de godsdienstig-zedelijke overtuigingen' in stand houdt en bevestigt. Naarmate deze overtuigingen sterker zijn en doorwerken in die maatschappij, wint de wetgeving van den staat aan invloed en kracht. Ze gaat niet voorop, maar volgt. Want het ideaal is niet, dat de staat alles doe, maar dat in den staat ieder het zijne doe, de enkele, maar ook het huisgezin, de school, de kerk, de onderneming, de universiteit enz., en) dat daarna, des noodig, de overheid hare hand biede tot bescherming en steun.

Aan deze overheidshulp heeft de maatschappij tegenwoordig echter meer dan ooit behoefte. Want sedert de organisatie, die in de Middeleeuwen opkwam, in verval geraakte en door de Fransche Revolutie gesloopt werd, ontbreekt het haar aan die vormen, welke bij haar leven passen. Deze leemte laat zich te ernstiger gevoelen, wijl de moderne

Sluiten