Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

b. DEELNAME IN DE WINST.

Door C. Smeenk.

Tegen bet toonstelsel zijn in den loop der tijden vele bezwaren aangevoerd. Tegen de „loonslavernij" was dan ook de bezielende leus, waarmede het socialisme, vooral in een vroegere periode, optrad.

Het congres van Eiseiiach (1869) sprak met beslistheid uit, dat de «xjiaal-democratische partij moest streven naar afschaffing van de huidige productiewijze, waarbij de arbeider van de voortbrengmgsmiddelen is gescheiden, en in verband daarmee ook van het leenstelsel. Aan den arbeider behoorde de volle arbeidsopbrengst te worden verzekerd.

Ook het program van Gotba (1875) keerde zich tegen het loonstelsel. Ieder moest ontvangen naar zijn „redelijke behoeften". Daartoe moest het, oók volgens Marx, in de socialistische Maatschappij stellig komen. Maar nog niet aanstonds zou dit mogelijk zijn. In de eerste tijden na de sociale revolutie zou bij de verdeeling van verbruiksgoederen de arbeidspraestatie als maatstaf moeten gelden.

De socialistische literatuur is op dit punt niet al te duidelijk. Maar toch won al meer de overtuiging veld, dat aan feitelijke opheffing van het loonstelsel ook in de maatschappij der toekomst niet te denken valt. Wel acht men een zeer ver doorgevoerde, ja algeheele „socialisatie" mogelijk. De voortgaande bedrijfsconcentratie wijst tevens — aldus de heer F. M. Wibaut in een toelichting van het Leidsche program1) — het middel aan tot sterke oentraliseering van de leiding der productie, tot het brengen dezer leiding in handen van het internationaal georganiseerde proletariaat. De vorm, de organisatie dezer gecentraliseerde kapitalistische bedrijven kan tot grondslag van de socialistische voortbrenging dienen. De opperste leiding daarvan stelt geen andere eischen meer „dan die van gecentraliseerd beheer, waarbij dus alle technische leiding is gekomen van in deze richting geschoolde beambten. Nu nog in dienst van het internationaal industrie- en bankkapitaal. Doch bij de socialistische voortbrenging in dienst der internationale gemeenschap."

Maar ook bij deze voortbrengingswijze — stel, zij ware mogelijk — blijft toch het loonstelsel. Alleen zou zijn te bereiken, dat de loonsbepaling niet meer werd beïnvloed door den kapitalist-ondernemer, die naar bedrijfswinst streeft. Voor de vorming van nieuw kapitaal, noodig voor de uitbreiding der productie, zou de „internationale gemeenschap" moeten zorgen.

Langzamerhand zijn de knappe koppen onder de socialisten, behoudens een! enkele uitzondering, het hier wel over eens geworden, dat aan den arbeider, in ruil voor zijn diensten, een zeker inkomen moet worden toegekend, dat óók verband houdt met dteni arbeid, dien hij praesteert.

Alleen bij een enormen overvloed van alle goederen zou men zich een andere regeling kunnem denken. In een „Luilekkerland", waarin men

J) Het Volk van 9/12 Februari 1912 v.v.

Sluiten