Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

door een zelfde complex van gedachten, wanneer hij in „Onze Eeuw" 1915, I 123 constateert, dat Regeering en Kamer niet op de hoogte zijn van de toestanden, dat de Regeering toch maar vast met een voor-ontwerp begint, vervolgens een onderzoek doet instellen, daarna haar ontwerp wijzigt enz., alles 't achterste voren — welke aanwijzing geen nut kan hebben, tenzij hieruit de eisch volgt, dat organen worden gevonden, die het noodige inzicht wél kunnen verschaffen en de noodige plannen met kennis van zaken ontwerpen.

Veel radicaler dan hij drukt Mr. Kranenburg zich uit in „Vragen des Tijds" 1917, I 125; maar zijn critiek op de bestaande toestanden gaat van dezelfde principen uit. De juristen, zoo verzekert hij, koesteren geenerlei illusie meer betreffende het vermogen van den wetgever om de rechtsvorming te blijven beheerschen. In het moderne rechtsleven is er behoefte aan nieuwe rechtscheppende organeni

Niet anders Mr. Krabbe in het zesde hoofdstuk van zijn „De Moderne Staats-idee". Hij acht, dat de Kamer als geheel te ver af staat van het leven, dat telkens in de behandelde stof is betrokken, om dit leven met kennis van zaken te kunnen leiden en dat men zich daar dus met leuzen of met beginselen contenteert. Hetzelfde geldt eigenlijk ook van de Provinciale Staten en den Gemeenteraad. In plaats van de leden dezer colleges, die immers gekozen worden krachtens politieke overwegingen, hebben wij bthoefte aan mannen, die gekozen worden om hun maatschappelijke kennis en maatschappelijken blik, en aan organen uit deze mannen geformeerd. De handel, de industrie, de landbouw moeten door de belanghebbenden zelf worden behartigd en geleid. Op dit oogenblik is weliswaar bij deze belangenkringen, bijv. tusschen de arbeiders en de patroons, een scherpe worsteling om de macht te ontdekken; maar deze zou verminderen en verdwijnen, wanneer zij mede recht-vormend konden optreden. Daarnaast staat nog het feit, dat er groote achterstand is in de wetgeving, omdat de Kamer haar taak niet aan kan, terwijl het leven hierop niet kan wachten en dus zich zelf redt door een zekere ongeorganiseerde rechtsvorming.

Hoewel ietwat aarzelend, hebben toch ook Sociaal-democraten zich in denzelfden geest uitgelaten. Het „Rapport over de reorganisatie van de Kamers van Arbeid" vraagt om Arbeidsraden, die wellicht in zake bescherming en verzekering het werk van den staat zouden kunnen overnemen. Welnu, in de commissie ad hoe vonden ook de heeren H. Polak en J. H. Schaper hun plaats, die geen afzonderlijke nota hebben ingediend om van hun afwijkende meening te doen blijken — hetgeen ook niet te wachten was, omdat de heer Polak in het „Weekblad" van den A. N. D. B. voor zulke organen heeft gepleit en de heer Schaper blijkens „De Socialistische Gids" 1917 blz. 830 wel iets gevoelt voor arbeidsraden, onderwijsraden enz., die het parlement kunnen voorlichten, het werk voorbereiden, de werkzaamheden verlichten. In hetzelfde periodiek trouwens van 1918 blz. 186 geeft de heer J. H. de Roode aan gereorganiseerde Kamers of Raden van Arbeid een goede kans, omdat min of meer gereglementeerde samenkomsten van arbeiders en werkgevers zeker nut zouden kunnen stichten.

20

Sluiten