Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

No. 256, 3 — in de Memorie van toelichting tot zijn begrooting de instelling van een onderwijsraad wenschelijk geacht, om voor het geheele onderwijsgebied aan den minister voorlichting te geven. Straks bij het ontwerp van wet ingediend bij Koninklijke Boodschap van 29 November 1918, Stukken no. 265 wordt in artikel 4 gewenscht, dat de raad aan den minister desgevraagd of eigener beweging advies zal geven en wordt rn de Memorie van toelichting deze gedachte aldus uitgebreid: dat hij werkzaam zal zijn ter voorbereiding van de maatregelen, van algemeene strekking, die in zake het onderwijs moeten worden genomen.

Omtrent het economisch leven doet zich dezelfde behoefte gevoelen, omdat — gelijk wij reeds zagen — er groote achterstand is in de wetgeving en een groot onvermogen bij den wetgever; ook omdat bij de economische spanning, waarin de wereld sedert den oorlog verkeert, het gevaar voor economische botsingen zoo uiterst groot is.

Eindelijk nog om een zijdelingsch argument. Zijdelingsch wel is waar, maar naar het ons voorkomt niet zonder waardij. Het is bekend, dat voor arbeiders in gemeentebedrijven of voor arbeiders in particuliere, maar voor de gemeenschap zeer gewichtige bedrijven extra regeling van hun positie menigmaal wordt gewenscht. De arbeiders bij het spoorwegbedrijf, een waterleiding, een telephoon enz. zullen, ook wanneer zij niet in dienst zijn van gesocialiseerde bedrijven, aan speciale regelen vanwege den staat moeten onderworpen zijn om hel algemeen belang. Maar zal de staat hier zelf regelend optreden? Zal hij niet veel beter doen door uit te lokken, dat er nieuwe organen worden gevormd en dat deze met een bepaalde taak worden bekleed? Dan toch zal voor beide groepenl van arbeiders, zooeven bedoeld, de regeling van hun rechtspositie veel beter kunnen geschieden dan door rechtstreeksche bemoeienis van den staat.

Het zoo overal en algemeen gewenschte wordt wellicht het best geïllustreerd door de vermelding van een eenvoudige gedachte als deze:'dat ter bescherming van dern arbeider de wetgever den eisch stelt, dat een winkel één werkdagmiddag gesloten zij, of dat de gehuwde vrouw — zoolang zij tenminste nog in loonarbeid werken moet — één werkmiddag per week vrij zij; waarbij dan de wet zich er beslist van onthoudt om rechtstreeks of zijdelings te bepalen, welke middag dat wezen moet. Zij heeft haar taak vervuld door de grondidee te poneeren; organen uit het leven' zelf opgekomen, regelen nu de toepassing naar iedere gemeente of plaa'ts, naar ieder bedrijf, naar het jaargetijde enz. Dan zijn vastheid en soepelheid beide verkregen; een sterke aanpassing aan het leven zonder offering van de grondgedachte.

LX.

Wat zal nu in bijzonderheden omtrent deze organen zijn op te merken? Vooral omtrent hun samenstelling en hun taak?

Eerst stuiten wij hier op de vraag, of de wetgever zich het reeds in de maatschappij gegroeide zal moeten herinneren. Er zijn organisaties van

Sluiten