Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

patroons en van arbeiders. Deze hebben allerlei regelingen getroffen, tot bet collectief contract toe. Zal de wetgever dit alles negeeren en zelf beginnen te bouwen, terwijl toch het bestaande zich aan de maatschappij aansluit? Of zal de wetgever het bestaande dankbaar aanvaarden, zooveel dit eenigszins mogelijk is?

Ongetwijfeld verdient het laatste de voorkeur, juist omdat het uit het leven is gegroeid. Zal zeker soms de staat behoefte gevoelen dit gegroeide een weinig te vervormen, hij zal het meermalen eenvoudig Kunnen sanctioneeren, hij zal altijd er van moeten uitgaan; gelijk de wet op het Arbeidscontract gedaan heeft door in artikel 1637n het collectief contract te erkennen zonder meer. En dat: zonder meer, omdat in ■ het jaar van de wet, in 1907 dit instituut nog zoo weinig in de practijk was gegroeid. Gelijk de minister in de Kamer het uitsprak: dat voor het overige te zijner tijd de wet zal moeten voorziening treffen. De minister dacht daarbij vooral aan het bindend karakter van de collectieve contracten; het is echter duidelijk, dat zijn opmerking op het geheele onderwerp toepasbaar is. Inderdaad maken de collectieve contracten een enormen groei door. Zij regelen of kunnen gaan regelen het loon en den arbeidsduur, de aanneming en het ontslag, het leerlingwezen, de hygiëne en de veiligheid, de verzekering en de arbitrage.

Wat moet de staat dan echter nog doen? Blijft er tenslotte voor hem nog eenige taak?

Hier ontmoeten wij Mr. J. A. Veraart met zijn werk over „Vraagstukken der economische Bedrijfsorganisatie", die wel uiterst radicaal antwoordt: eigenlijk zijn nieuwe organen onnoodig. Laat men beginnen met de vakorganisaties van de patroons en de arbeiders. Deze maken zich zelf sterk zonder eenige inmenging van den staat, doordat zij het instituut der collectieve contracten uitbouwen en het verplichte lidmaatschap opleggen. In het collectief contract voor het boekdrukkersbedrijf bijv. is reeds geheel buiten den wetgever om een compleet rechtsinstituut verkregen, zelfs met een vonnis en met executie — dit laatste door middel van boete, werkontzegging, boycot, royement — zonder dat de staatsrechter daarin ooit gekend wordt. De rechtspositie van den arbeider is hier onverbeterlijk geregeld; zijn recht op arbeid is erkend en zijn ontslag kan hem ongevraagd slechts gegeven worden na de uitspraak van een commissie ad hoe.

De ervaring, zoo meent Mr. Veraart, bewijst de deugdelijkheid der regeling: van 425 gevallen, waarbij hooger beroep werd ingesteld, werden er 422 zelfs zonder stemming beslist.

Reeds uit het groote werk van Webb was het bekend, dat vakvereenigingen door eigen middelen belangrijke dwingende macht kunnen en willen uitoefenen. Toch is het de vraag, of Mr. Veraart niet te ver gaat door de nieuwe organen overbodig te achten; of hij niet al te zeer aan één bedrijf denkt en aan hetgeen voor het oogenblik in dat bedrijf is verkregen. Trouwens, gelijk zoo aanstonds ook nog blijken zal, erkent ook hij, dat er voor den staat een taak overblijft; de taak namelijk, om de gezellen en1 patroons te waarborgen tegen tirannie en het publiek te waarborgen

Sluiten