Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Mag ik misschien zeggen, om daarmede te komen tot een van de grootste heerlijkheden van de dagen, die God ons hier gegeven heeft; zij hebben geen van allen gelijk? Wij weten het geen van allen apart. Wij weten het alleen allen te zamen. Dan is het wel verheffend, om hier te zitten en te hooren den man en de vrouw, den patroon en den arbeidier, den middenstander en den niet-middenstander; om dan, eenige gezichten kennende — ik zal geen namen noemen — te denken: hoe heerlijk, dat hij dat hoort van hem en dat zij dat hoort van haar! Want op die manier leeren wij elkaar verstaan. Dat is een van de grootste heerlijkheden, waardoor een stuk van den jammer van het zigzag-wezen weggenomen is.

Nog iets over dat zigzag. Ik weet niet of wij vooruitstrevend zijn dan wel conservatief. Het rampzalige is, dat ik sommige menschen heb hooren spreken, de binnen vijf minuten vooruitstrevend waren en conservatief. Ik ben, als het nog noodig was, op dit congres weer meerder overtuigd, dat wij met dit etiket hoe langer hoe minder kunnen uitvoeren, als het ons te doen is om het werkelijke leven. Dat zeg ik niet om het verschil uit te wisschen en zoo iedereen te leeren: wij behoeven voor het woord conservatief niet bang te zijn. Ik zeg dat ook niet om te pleisteren; want onder de verschillende vakken, die ik in mijn leven heb moeten beoefenen, heeft het vak van pleisteraar niet behoord en als de voorteekenen niet bedriegen, zal ik dat vak ook wel niet gaan beoefenen. Als ik zeg: er is eigenlijk niet veel te vangen met die twee namen, dan wil ik volstrekt niet wegdoezelen bet ontzaglijke verschil tusschen de menschen, die begeeren, de dingen zoo mogelijk te laten, zooals zij zijn, en de menschen, die vooruit willen in Gods naam. Maar wel zeg ik: hoe dikwijls is dat leelijke of mooie woord gebruikt als een zeer groote onbillijkheid!

Als ik dat zeg, dan zitten wij weer midden in de zigzag-kwestie. Het kan wel zóó zijn, ook wel zóó zijn.

Maar dit is het einde niet; dit is de helft van mijn slotwoord. Nu kom ik tot de tweede heKt, want als wij zitten in al de vragen en zitten in dat zigzag en zitten in de nooden, dan moeten wij er uit. En om wezenlijk ergens uit te komen, om met energie voort te gaan, hebben, wij twee dingen noodig. Ten eerste: het doel, waarheen wij eigenlijkweg zijn; ten tweede: den weg, die ons brengt -naar het doel. Wij hebben een doel noodig.

Ik noem eerst het allerhoogste doel. Al danken wij God, dat wij ook een lager doel mogen noemen; al danken wij God, dat wij ook meer onmiddellijk reëel mogen worden, wij willen toch geen van allen be-. ginnen, zondier eerst het laatste groote doel te zien. Alles wat wij werken, wordt door Gods genade ingevoegd in den grooten gang der dingen, die

Sluiten