Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Daarna was het woord aan D s. P. v a n W ij k J r. van Amsterdam, die, na gelezen te hebben Matth. 6 : 26, ongeveer als volgt sprak:

Het is een groote verantwoordelijkheid Broeders en Zusters, die ons sprekers in deze ure wordt opgelegd: wijding te geven aan het Christelijk Sociaal Congres door woord en gebed; de beginselen uit te spreken, die in het Congres moeten leven, zal het wezen wat het moet wezen: Bij G-od in genade en den menschen ten zegen.

Den menschen ten zegen. Er zal over velerlei onderwerpen gesproken worden, maar altijd weder zal de mensch op den voorgrond komen; om de menschen is het te doen, en om de zielen der men»chen. En van die menschen en hunne zielen zegt de Heere Jezus: Wat baat het den mensch, zoo hij de geheele wereld wint en toch schade lijdt aan zijne ziel. Daar is in dat woord een waarschuwing, eene bestraffing. Maar ook iets jubelends. Want het is een wonderbare heerlijkheid, die daar aan een menschenziel wordt toegeschreven. De geheele wereld. Wij kunnen ons niet indenken hoeveel milliarden bij milliarden dat is. Maar de Heer zegt: Indien gij dat alles zoudt kunnen koopen voor een beschadiging van uw ziel, dan zoudt gij bedrogen zijn, want uwe ziel is meer waard! Slechts eens is iemand dan ook op het denkbeeld gekomen, om de geheele wereld aan te bieden, — en toen is het geweigerd. Het was bij de verzoeking inde woestijn, toen de duivel den Heere Jezus al de Koninkrijken der aarde toonde, en hunne heerlijkheid en zeide: Dit alles zal ik Ugeven, indien gij nedervalt en mij aanbidt.Toen heeft de Heer ons tekstwoord in practijk gebracht. De Vader had Hem beloofd (Psalm 2): Eisch van Mij, en lk zal ü de volken geven tot een erfdeel, en de einden der aarde tot een eigendom. Maar Hij moest het deelachtig worden door zelfverloochening, door lijden en sterven, door zielen te redden. Had Hij gehoor gegeven aan het aanbod des duivels, dan had Hij het alles gekregen, zonder slag of stoot; maar dan had Hij schade geleden aan zijne eigen ziel en aan de zielen der menschen, die de Vader Hem gegeven had, en Hij was niet gekomen om de zielen der menschen te verderven, maar om ze te behouden.

Wat baat het den mensch, zoo hij de geheele wereld wint en toch schade lijdt aan zijne ziel? Met dat beginsel heeft de Heer geleefd, gepredikt, gehandeld. Men is tot hem gekomen met een van depijnlijkste sociaal-politieke vragen, die destijds het volk beroerden. _Is het geoorloofd den Keizer schatting te geven ?" En Hij antwoordde : „Geeft den Keizer den penning die het beeld des keizers draagt, maar aan God den penning, die het Beeld Gods draagt, dat zijt gij zelf, dat is uwe ziel." Ja, dat is de heerlijkheid • der menschenziel, zij is naar Gods beeld geschapen, zij is bestemd tot een oneindig groote majesteit; dè mensch moet niet alleen, gelijk de schepping, Gods heerlijkheid verkondigen, zij moet die vertoonen, een weerglans ervan geven. Daarom is de ziel meer waard dan de geheele wereld. En altijd heeft de Heere Jezus daarom de zielen gezocht. Als de geleerde Nikodemus tot hem komt, dien man te Nazareth „de timmerman" noemde, dan wordt hij niet bedwelmd door die eer, het is hem om de ziel van Nikodemus te doen, en Hij "waagt het er op hem desnoods af te stooten met het zoo ondoorgrondelijke en harde

Sluiten