Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Dat 'het leven er eerder is dan de philosophie, ziet ge in het vrouwenvraagstuk heel duidelijk geïllustreerd. Voor mannen afls Luther, Voetius en Gats, die over de vrouw wel wijze opmerkingen 'hebben gemaakt, maar over het geheel er toe neigden de vrouw als derde in te doelen bij Wein und Gesang, of haar te roemen op de manier van Poot: „Zeven kinderen en een wijf zijn mijn dageljksch tijdverdrijf", — voor dezulken bestond de vrouwenkwestie niet, want de maatschappelijke horizont van de vrouw .ging niet veel verder dan het spinnewiel en de breikous, — maar wij zijn door het leven tot philosophie gedrongen, ons heeft het leven der vrouw verbluft en overweldigd. Wij hebben op de triomifantelijke tentoonstelling „De Vrouw", in 1913 in onze AmstelstaJd gehouden, de ontwaakte vrouw gezien, de moderne vrouw, wat zij kan, als haar genie vrije baan heeft, wat zij kan in het gezin, voor het kookfornuis, in het laboratorium, in de muziekzaal; wat zij beteekent voor de huisindustrie, de hygiëne, het bank- en kantoorbedrijf, het onderwijs, de literatuur, tuinbouw, fotografie, beeldende en toegepaste kunst, kleeding, ziekenverpleging, wetenschap, politiek. Zegevierend riep de vrouw den man, ,Jhaar heer", in deze als uit haar ziel gjetooverde wereld, en de verwonderde man wreef zich achter het oor en vroeg: „Kan ik deze blauwkousen nog langer als onmondig beschouwen?"

Het 'leven is er eer dan de philosophie, de vrouw is er, ze staat er als onderwijzeres, als kantoorbediende, als winkeljuffrouw, als journaliste, als middernachtzendelinge en drankbestrijdster; ze staat er: voor de balie en in den 'katheder, bij de stembus en in het parlement, ze draagt een hoed, waarop zij trotsch is, hoewel hij haar niet flatteert: den doktershoed! Het is hoog tijd, dat wij philosopheeren over dit uit den knop gebotte leven, en dat wij het christelijk doen, heilig, principieel, Want de oorsprong der vrouwenbeweging is niet christelijk, het feminisme is in zijn aard revolutionair, en het komt er op aan, gelijk bij iedere revolutie, zoover zij onze erve nadert, den stroom te leiden in de bedding van de ordinantiën des Heeren.

De groote schuld, de onvergeeflijke dwaasheid van het christendom is eerstelijk, dat het door zondig conservatisme aan de revolutie voedsel gaf en daarna door traagheid in het overleg aan de revolutie een voorsprong gaf op het evangelie. Is dit niet in zeker opzicht waar van onze verhouding tegenover de geheele sociale kwestie? Is ons tekort aan waakzaamheid, ijver en bezinning niet oorzaak, dat we veelszins als machteloozen staan tegenover een geestesbeweging, die we niet meer bezweren, nog, minder koeren kunnen?

Op sociaal gebied staan we niet meer voor de 'keuze, maar voor het stugge feit, voor de bronze bergen der werkelijkheid. De vrouw is al op weg naar het stemlokaal, zij oreert reeds in het parlement, en het leven lacht om onze kritiek. Zijn wij reeds telaat? Moeten wij geduldig dragen, dat 'de revolutie ons haar vrede dicteert?

Natuurlijk neen — maar er is reeds veel verloren, ons leger is in het defensief en de strijd is bijna hopeloos zwaar.

Alleen op één terrein zijn wij nog de meesters, en is het vrouwenvraagstuk nog bezig voor de oplossing te rijpen; ik bedoel: In het Koninkrijk Gods. Het staat nog aan ons te beslissen, of de vrouw zal worden toegelaten tot de kerkelijke stembus en tot het kerkelijk ambt, en de kerkelijke positie der vrouw beheerscht mede haar plaats-

Sluiten