Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

stervelingen 's nachts ter wereld komen, en de flikkerende vlam eener dompende kaars het eerste licht is, dat hen beschijnt. Althans Piet had licht gezien, en Tante moest de eerste rol vervullen bij de schoone plechtigheid, die aan een mensch, bij zijne aanlanding in dit dal van tranen, den eersten zegen en de eerste verkoudheid verschaft. Zij hield het kind over den doop, verzaakte aan den duivel en zijne pomperijen, gaf eene kleine gedenkenis aan den pastor, eenig drinkgeld aan den koster, eene fooi aan de stoeltjeszetster, eene dito aan den misdiener, eene idem aan de baker, een kostbaar geschenk aan de moeder, en bevond zich het meest uitgefooide en gelukkigste mensch der wereld.

„Zie", zeide Tante, toen de familie, rondom de tafel vereenigd, eene ftesch van den „beste" ledigde, op de gezondheid van moeder en kind, „die dag is een der schoonste mijns levens. Het aandenken moet er van bewaard blijven. Eenige mijner ledige uren wil ik voor mijn petekind besteden!" Zij zweeg een oogenblik, en ieder gevoelde, dat er iets groots ging gebeuren.

„In onzen tijd", ging zij plechttg voort, „bedreigen duizenden gevaren de arme kinderen. Men ziet ze verzwakken, verbleeken, vervallen zonder gekende reden of oorzaak. Een oude dokter heeft mij het geheim bekend gemaakt: de eenige schuld van al dit lijden zijn de koude voeten.

„Daar wil ik mijn kind tegen beschermen: alle jaren, zoolang ik leef, mag het met zijnen geboortedag vier paar kousen komen halen, die ik zelve zal breien van de beste Diestersche saai...."

Zoo sprak Tante. Het rood der aandoening kleurde hare wangen. Zij stond op, naderde met statigen tred de wieg, hief den witten doek op, waaronder de baker kozijn Piet verborgen hield, en legde op het voorhoofd van het wicht

Sluiten