Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ben leerling aan het Latijnsch college en nog wel intertia.

De kinderschool, o! die is lang vergeten, de vrienden van dien tijd uit het oog verloren.

Frans Theunis zie ik wel eens, met een grauw schort aan, achter de toonbank van den „Vergulden Olifant" staan, bezig met wegen en gerieven; doch wij kennen elkaar niet meer, en als ik het établissement van Mamesel Monnier tegenkom, zie ik er uit mijne hooge „tippen" op neder, als op een mierennest.

Alleen de lieve Bertha is mij niet vreemd geworden. Zij is het, die mij nog dikwerf naar het Begijnhof lokt.

Maar ook zij is geen kind meer: zij draagt halflange kleederen en heeft groote-damesmanieren aangenomen.

Kinderspelen kunnen ons niet meer bekoren. Onder den meiboom dansen is goed voor kleine aankomelingen; „Piepenburg" en „Blinden Dulleman" kunnen misschien vermakelijk zijn voor knapen van de eerste broek, maar voor óns?.... en wij zijn verontwaardigd, als er ohs nog' een durft vragen om mee te doen.

Op Margrietjes kermis, waar wij vroeger weken en weken over spraken, als de jongens en meisjes op het Begijnhof mogen spelen, en de juffers mee in de ronde dansen, kunnen wij ons zelfs de moeite niet meer geven om over de kaarsjes *) te springen, en zien ze met minachting aan onze voeten flikkeren.

Hoogstens trekken wij nog soms 's avonds een belleken,

") Het is een oud gebruik in eenige Vlaamsche steden, op de avonden van sómmige heiligdagen als St.-Anna, St-Margaretha, St. Marten, Drie Koningen, in de straten kaarsjes op rij te stellen, waar de kinderen over springen. Dit spel heet „keersken over de been", alhoewel het de beentjes zijn, die over de kaarsjes gaan.

Sluiten