Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

en genieten op ons gemak de verontwaardiging en de woede van het Begijntje, dat bij het openen der deur niemand vindt, en uityalt tegen gewaande straatbengels, maar er verre van af is te denken, dat twee groote menschen als wij haar dien kwajongenstoer speelden. Ja, wij zijn groote menschen.

Onze gesprekken worden ernstig, onze betrekkingen geheimzinnig.

Wij lezen met ons twee het een of ander boek, loopen hoog op met „Paul en Virginie", den „Vicar of Wakefield", en het ergert mij, dat ik niet, gelijk mijne romanhelden, de gelegenheid heb om mijne geliefde Bertha uit het water of vuur te redden.

Soms, op vertrouwelijke uren, 's winters bij de avondschemering, als wij voor het venster zitten, en de schoolkinderen zien voorbijloopen, verhalen wij uit onzen jongen tijd, toen wij bij juffrouw Monnier op de banken zaten, hoe wij daar elkander voorstonden en verdedigden; maar ook wat wij al te beleven hadden aan kommer en pijn, wat wij moesten onderstaan aan beproevingen en leed, — en dan waag ik het wel eens de lieve Bertha de hand te drukken, gelijk ik op de oordjesschool zoo dikwijls deed.

Gezegende stonden! Eerste, zoete gewaarwordingen der kinderlijke genegenheid, schuldelooze opwellingen van een gevoel, dat later knelt en pijnigt, frissche indrukken van het eenvoudig, onervaren gemoed!

Lieve Bertha, bevallig meisje! Hoe oprecht, hoe vurig beminde ik u, zonder argwaan of achterdocht, zonder eene dier ellendige driften, dier lage berekeningen, treurige vruchten der ondervinding, welke zich later bij de edelste gevoelens mengen, en het zaligste genot verbitteren!

Nog steeds zweeft mij uw lieftallig beeld voor de oogen,

Sluiten