Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ik droom eiken nacht van onze gelukkige dagen; doch telkens wekt mij de onverbiddelijke morgenklok.

Het is nog niet licht, en reeds loop ik met de andere knapen, mijn waschgerief in de hand, mijnen doek op den arm, naar de waschpomp, waar wij nevens elkander, ieder aan zijn kraantje, staan te sidderen en te bibberen van Vaak en kou.

Welk verschil met mijn' gezellig, vroolijk kamertje naast het slaapvertrek van tante 1

In welke wereld vind ik mij verplaatst, ik, die gewoon was vrij te spreken, openhartig te handelen, bijna luidop te denken!

Hier is het, alsof een looden last op alle harten drukt, alsof een onbekend spook alle monden sluit.

Met drie, vier wandelen mijne medeleerlingen de naakte, kale speelplaats op en neer, meest zonder een woord te wisselen.

Wie zich onwillekeurig een bemerking laat ontsnappen, kijkt schuchter rond; wie een woord waagt, voelt aanstonds berouw en spreekt niet verder.

Eene geheimzinnige vrees schijnt elke vrije beweging te belemmeren, een algemeen mistrouwen heeft hier de jeugdige vrijmoedigheid gedood terwijl Tante er prijs op

stelde, dat ik geene gedachte, geen gepeins, geen gevoel voor haar verborgen hield!

Ten hoogste een tiental jongelingen maken uitzondering, steken af op dien somberen toon.

Hunne houding is losser, hunne handelwijze min gedwongen, hunne woorden zijn min gemeten. Maar ook, zij zijn de verstootelingen der school. Op hun hoofd regent het vermaningen en straffen; wordt er iets misdaan, zij moeten er voor boeten, — eene fout begaan, op hen valt de schuld.

Sluiten