Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Als ik er op nadenk, moet ik bekennen, dat er nooit een kind geboren werd met meer trek voor het soldatenleven en beteren aanleg voor de krijgskunst.

Van kindsbeen af liep ik met eene papieren politiemuts op, en eene houten sabel aan de zij.

De boerenjongens uit de buurt staan onder mijn commando. Ik heb ze ingelijfd, gevormd, geschaafd, gewapend, en als wij voor het Pannenhuis defileeren, en ons voor Tante in slagorde stellen, moet zij bekennen, dat de Russen en Pruisen niet beter marcheerden, toen ze in 1814 voorbijtrokken.

Op de Latijnsche school wordt niet gesproken dan van veldheeren en overwinnaars. Ik hoor achtereenvolgens den roem van Sesostris, Semiramis, Leonidas, Epaminondas, Alexander, Hannibal, Scipio, Caesar en Pompeius verkonden, zonder van eenen hoop andere krijgshelden der oudheid te gewagen, die beurtelings de groote of de onoverwinnelijke genoemd worden.

Ik bewonder ze allen op bevel van den leeraar, en tusschen mijne uren lees ik „Het leven van Napoleon".

Voor hem verbleeken in mijne oogen al de helden der school.

Welke man en welke tijden!

Mijne geestdrift kent geene palen. Als de schrijver Ulm, Austerlitz, Iena beschrijft, ben ik dronken van vervoering. Ik trek mede ten strijde, val op de Oostenrijkers, op de Russen, op de Pruisen, sla hunne legerscharen uiteen, laat duizenden dooden op het slagveld liggen, en als de kreet „Victorie!" opgaat, klopt mij het hart als bij eenen ouden grijsbaard. Berlijn en Moskou trek ik bij het slaan der trommels en het geschal der trompetten binnen; doch als de tegenspoed komt en de nederlaag nadert, o, dan klimt mijne verrukking tot heldenmoed! Met het klein getal dapperen schaar ik mij onder het roemrijke vaandel, en soms ben

Sluiten