Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ik op het punt van met de vieille garde in eenen wanhopigen „Vive l'Empereur!" los te barsten.

„Dat waren helden, dit heette leven!" zeg ik tegen Tante; want terwijl mijn geest te Wagram overwint of bij de Beresina strijdt, zit mijn nietig persoontje in de oude canapé van het rustig Pannenhuis.

„Toen ging de jonkheid vooruit 1 Toen kon men zich onderscheiden en roem verwerven!" en in mijne onbezonnen opgetogenheid gevoel ik niets dan verachting en medelijden voor het stille geluk, dat ons omringt. Ik roep op: nieuwe oorlogen, nieuwe gevechten, eenen nieuwen Napoleon, om op mijne beurt onder zijne bevelen te marcheeren, te strijden, te overwinnen.

„Och kind!" zucht Tante, over hare kous heenkijkend, „gij weet niet, wat oorlog is, anders zoudt gij zulke goddelooze wenschen niet uitbrengen. Wat die boeken zeggen, is ijdele glans; maar zij, die het beleefd hebben, weten het beter."

Ik keek Tante aan, en kan mij niet beletten medelijdend te schokschouderen.

Kan iemand, die hare canapé nooit verlaten heeft en aan haar twintigste paar kousen is, eenen Napoleon verstaan?

Ik laat de goede vrouw stilletjes hare steken opnemen, minderen aan de hieltjes, en weer opzetten met het boordeken — maar mijn hart, mijn leven, mijne ziel blijven aan Hem en aan Hem alleen!

Zoo kom ik tot het einde van het boek. De kaart is gekeerd: mijn afgod daalt lager en lager, de val is nakend. Aan het hoofd van het laatste kapittel staat een woordje van acht letters, een woordje dat vóór eene halve eeuw niemand kende, en dat thans de geheele wereld door met eerbied of vervloeking wordt herhaald, - een woord, dat

Sluiten