Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

luider spreekt dan alle krijgsroem, dat hooger klinkt dan

Napoleon de naam van een nietig Brabantsch dorpje:

Waterloo.

„Waterloo", las ik onwillekeurig luidop.

„Waterloo", herhaalde Tante, als uit eenen droom opgewekt, met eene ontroering in de stem, die mij aanstonds trof, „daar is mijn arme Wilhelm gebleven!"

„Wie?" hernam ik. Het was de eerste maal, dat ik dien naam hoorde.

Tante aarzelde een oogenblik en scheen in diep gepeins verzonken. Haar goelijk gelaat kreeg eene uitdrukking van bitterheid en smart; haar blik scheen in verre oorden te zweven: de handen vielen haar onbeweeglijk in den schoot.

„Welke Wilhelm?" fluisterde ik.

„Welnu ja — Wilhelm Stoltz", hervatte Tante, hare aandoening overwinnend, „ik zal u die treurige geschiedenis verhalen, en dan zult gij weten, waarom Tante tegen den oorlog is en uwen Napoleon zoo weinig bewondert."

Van jongs af had Tante ons door hare vertellingen weten te boeien. Bij zomerdag kreeg ze ons weinig te zien. Wij doorliepen de velden, speelden met de boerenjongens, en gaven ons geheel over aan het verrukkend genoegen van het vrije buitenleven en de opene lucht.

Doch als November inviel, die treurigste maand van het mistige Noorden, dat de laatste bladeren van de hooge bopulieren vlogen, de ontbladerde olmen hunne naakte armen weenend uitstaken, en de oude vensters van het Pannenhuis zuchten onder de woeste slagen der najaarsbuien, dan

Sluiten