Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Geluk en eer zijn voor mij, Mejuffer", antwoordt onveranderlijk de heer, „geheel de week tracht ik naar het oogenblik, om u mijnen eerbied te betoonen."

„Gij zijt te beleefd, Mijnheer", glimlacht Tante, „eene oude juffrouw gezelschap houden kan toch niet aangenaam heeten " en zoovoorts een kwart uur lang, totdat eindelijk Mijnheer Van Bottel zich verstout de eer te genieten eenen stoel te nemen, en neder te zitten.

Laat mij van dien tijd gebruik maken om u in Mijnheer Van Bottel een oud heertje voor te stellen met vooruitstekend buikje, korte beentjes, dik hoofd, grijze oogen en eenen gouden bril, van karakter een man vol wellevendheid en complimenten, en gepensionneerd-ontvanger van beroep.

Tijdgenoot en vriend van Grootvader kwam hij dien braven man alle weken gezelschap houden. Ze dronken te zamen een kopje koffie, rookten hun pijpje, praatten wat over hunnen jongen tijd, speelden vier partijtjes kaart, zonder min, voor twee stuivers ieder, zonder meer, en scheidden op klokslag zes, zonder later.

Dat duurde twintig jaar, tot aan Grootvaders dood.

„Ik hoop", had toen Tante met de tranen in de oogen gesmeekt, „dat gij daarom ons huis niet zult voorbijgaan?"

„Dat nooit I" had Mijnheer Van Bottel deelnemend verzekerd.

„Gij waart zijn eenige vriend. Ik wenschte zoo vurig,, dat alles hier kon blijven gaan juist gelijk Vader zaliger het gezien en beleefd heeft. Zoude het te veel van u vergen zijn? "

— „Zeker neen", antwoordde Mijnheer van Bottel diep getroffen, „ik zal den weg naar 't Pannenhuis, waar ik altijd zoo vriendelijk onthaald werd, niet vergeten", en hij drukte eenen kus op Tantes wang voor de eerste en eenige maal zijns levens.

Sluiten