Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Maar nu hij hoorde: „daar ligt twee hectaren zeventien aren", zag hij de geduchte woorden, „en gij zult zooveel meer geven" al op de lippen. Als een wanhopige wilde hij het gevaar afweren.

„Zeventien aren", herhaalde hij, „neen, Mijnheer, die liggen er niet in, zooveel is er nooit geweest."

Mijnheer Van Bottel keek den boer in de oogen.

„Hoe! nooit geweest? wat! geen zeventien aren?" riep hij vertoornd uit.

„Zoover de ploeg gaat", hervatte Nèel, „heb ik nooit meer gekend dan twee hectaren zes aren en geene schreef meer!"

„Ha!" kreet Van Bottel getergd door die tegenspraak „en hier, wat staat daar? één bunder 257 roeden, maakt dat gee " en hij sloeg met zijne handen op het opengespreid plan.

„Ja, mijnheer", wilde Kiebooms bedaren, „het papier is geduldig en een plan kan missen; maar wij kennen het land en bewerken het van vader tot zoon."

„Hoe! het plan bedriegen? Leest gij daar niet onder: ,ghelijkvormigh ende waerachtigh verklaert "

,,'t Is mogelijk," waagde de landman, zich aan het laatste reddingsmiddel vastklampend, „als Mijnheer het wil zullen wij naar den bureau gaan: ik ben zeker, dat het er op staat, gelijk ik zeg."

„Wat!" hernam Van Bottel, „het zou anders staan op het kadaster dan op mijne kaart! Dat wil ik zien; en als er hier deugnieten in 't spel zijn", voegde hij er langzaam en Kiebooms scherp aanstarend bij, „zal ik ze weten te vinden."

Het ontvangertje kende geenen afstand, voelde geene brandende zon meer. Met driftige schreden liep hij, opge-

Sluiten