Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Dank aan de voorspraak van Mijnheer Van Bottel, die met zijn proces over de elf aren van Erembodegem hooge betrekkingen in de rechterlijke wereld aangeknoopt had, vond ik voor patroon den vermaarden advocaat Meester Adams jeune, eenen der geleerdste en meest geprezene redenaars der Brusselsche balie.

Bij het afleggen van den advocaatseed stelde hij mij voor aan het Hof, en nog denzelfden morgen kreeg ik zijne zwaarlijvige zwartlederen papierentasch onder den arm, en vergezelde ik hem deftig stappend naar zijne woning.

Het was een statig gebouw in eene der aristocratische wijken der hoofdstad.

Een stijve knecht, verguld op snee, opende de poort, en ik volgde den patroon door eene glazen gaanderij, over een treurig pleintje, naar een laag achterhuis, dat de bouwmeester voor stalling of ten minste voor koetshuis aangelegd had.

In het groot gebouw waren — op het eerste verdiep: ruime zalen, die dienden tot salons voor de dames, — op het tweede: talrijke kamers, door de bijzondere vertrekken van Mevrouw ingenomen, — en op het derde: luchtige appartementen ten dienste der Freules ingericht, — zoodat men in geheel het huis geen plaatsje, geen kamertje had kunnen vinden voor Papa en zijne papieren, en Papa en papieren waren naar het achterhuis verbannen.

Daar was het werkvertrek, dat bij advocaten en notarissen de studie, bij bestuurders en postmeesters het bureel, bij ontvangers en kooplieden het kantoor heet.

Met welke ontroering zette ik, pas ontloopen student, mijnen onwaardigen voet op den eerbiedwaardigen drempel!

Alles sprak van ernst en overweging; alles getuigde van stillen, aanhoudenden arbeid. Te midden der kamer eene

Sluiten