Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

is dood, en ik geloof vast, dat ik er dezen keer zal bij zijn."

De Voorzitter: „Was de overledene van uwe familie?"

Janssens: — „Zoo dicht als 't maar zijn kan. Ik heb ze niet gekend; maar ons moeitje heeft er ons wel honderd keeren over gesproken. Zij moet zoo rijk zijn als het water diep is Hier zijn mijne pampieren."

De Voorzitter: - „Goed, vriend. De advocaat zal ze nazien, Mr. Noble, wanneer kan die man u spreken?"

Mr. Noble: — „Om tien uren."

De Voorzitter tot Janssens: „Ge zult morgen om tien uren bij Mr. Noble gaan: hier is zijn adres."

Acht dagen later levert Mr. Noble zijn verslag in, waaruit blijkt, dat er wezenlijk eene Juffrouw Janssens overleden is, maar Karei Janssens noch van verre, noch van bij met haar in verwantschap staat, en op hare erfenis geene schaduwe van recht heeft!

Hoe is 't godsmogelijk! Zulke schoone pampieren hebben er niet mee erven!.... Karei staat verbluft in zijne bewijsstukken te turen. Maar daarom geenen moed verloren: is het nu niet, dan zal het later lukken. Moeitje heeft het gezegd: die wist waarom, en als er ergens, bij uwe wete, een Janssens sterft, laat het dan, als 't u belieft, aan Karei weten: zijne pampieren liggen gereed en vroeg of laat moet hij er bij zijn.

Achter Mr. Noble stond mijn naam op de lijst der stagiaires.

Een ordelijk, doch eenvoudig gekleed man nadert bedeesd het bureel. Het is een arbeider, die de hulp van het gerecht inroept om zijn werkboekje terug te krijgen.

„Mr. Staas", zegt mij de Voorzitter, „gelief de zaak grondig te onderzoeken, en den man te helpen."

Sluiten