Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

handschoenen, boordjes, witten das en verdere toiletartikelen, en schoot er daarenboven mijne spaarpenningskens bij in.

Maar ook, ik mag het zeggen, „ik was onberispelijk", toen ik met gekruld hoofd, zwart maar eng pakje, verlakte maar nijpende laarsjes, de vigilante instapte en aan den koetsier, met eene zwierige losheid, toeriep: na Phótel Adams, rue royale 15."

Mijn hart klopte, terwijl ik mijne paüle handschoenen toeknoopte. Ik voelde nog eens langs alle kanten, of alles in zijne plooi zat; en verbleekte bij de gedachte, dat de kleinste misslag in de snee van mijn kleed of in den naad der gilet al mijne hoop kon verbrijzelen.

„Het is toch waar", dacht ik, „dat het geluk der menschen soms aan een zijden draadje hangt."

Eene lange rij koetsen wachtte vóór het huis. Een kwart uur, dat mij eene eeuw scheen, moesten wij aanschuiven, aleer de rijkgestoffeerde en met goud bezaaide voetknecht de portel opende.

Ik stapte deftig over de mollige tapijten, liet zonder omzien mijnen overjas van de schouders vallen in de handen van den kamerdienaar, en Mijnheer Joseph, met gefriseerd haar, stijve boorden, gegaloneerden frak, korte broek en spannende kousen, wierp mijnen naam in de zaal, zonder eenen trek van zijn gelaat te verroeren, zonder het kleinste teeken van kennis te geven, even koud en onverschillig, alsof wij elkander nooit ontmoet of gezien hadden.

Het wemelt in de zaal van zwart gerokte en wit gedaste dansers, die, met hun balkaartje tusschen de vingers, rondhuppelen, — van frissche meisjes, die bij elke uitnoodiging eene nieuwe uitgave leveren van haar laatst bestudeerd glimlachje, — van getooide mama's, die haren mond achter

Sluiten