Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

het werkhuis verteld, en Lefinaud nam de gelegenheid te baat om zijnen jongen advocaat aan te bevelen.

„Eene zaak voor u, Mijnheer", zegde hij mij, en zijne vingers polkeerden op de roode gilet, nog levendiger een dansje dan op den dag, dat hij mij zijne kamers verhuurde; „eene zaak van belang, eene kapitale zaak! Geheel dé stad is er vol van: op de Hoogstraat spreekt men van niets anders, tot op mijn atelier toe wordt er over gediscuteerd!"

Op eenen gedenkwaardigen Zondagmorgen kreeg ik dus het bezoek van eene oude vrouw, welke haar aangezicht onder de kap van eenen afgeganen katoenen mantel verborg, en die zich met de woorden „Och, Mijnheer!" op den eersten stoel liet nedervallen.

Zij was begeleid van eene vriendin, en vergezeld door een vrouw van kennis, die meekwam om de zaak te helpen uitleggen, en de buurvrouw op dit plechtige oogenblik haars levens bij te staan en te versterken.

„Och, Mijnheer!" herhaalden de twee helpsters, en brachten de lijdende tot op eenen stoel recht voormijné tafel.

„Zestig jaar oud worden", hernam het vrouwtje, „van ordentelijke ouders geboren zijn, van kindsbeen af altijd eerlijk en deugdelijk geweest zijn, nooit of nooit bij de Heeren geroepen of boven hebben moeten komen, en nu voor den tribunaal gedaagd.... ik die alleenlijk niet weet wat een tribunaal is!

„Is 't niet om van te sterven ? Ja 't zal mijn leven kosten 1"

en de mantelkap viel haar dieper en dieper over de oogen onder het wanhopig schudden van haar hoofd.

„Zij zal er van sterven", bevestigden de twee beschermsters.

„Zie, Mijnheer, dat bracht een dienaar mij dezen morgen:

Sluiten