Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Zij had een kloeke alt, als een jongen, en vond „dat eeuwige handen geven" aanstellerig. „Je zag mekaar eiken dag van je leven, 's ochtends, 's avonds, 't Was zoo'n oneerlijke sleur. Goed als je op reis ging."

„Dag Trude." Ook de moeder, door ondervinding geleerd hebbend, hield de hand voor zich. „Een drukke dag gehad?"

Trude's smalle, rechte lippen trokken smadelijk. Zelfs het welluidende van haar moeders stem hinderde haar, vond zij gemaniëreerd, en de vraag gezocht.

„Wat voor drukte zóu er zijn. 't Gewone natuurlijk."

„Och ja, natuurlijk, 't gewóne," beaamde Mathilde knikkend; met iets in haar toon dat een tweede en een diepere beteekenis drong in Trude's woorden, ,,'t gewóne." Een groote treurigheid viel haar als een zware vracht op 't hart. Zij kon het uitsnikken, na haar weenen van zooeven, in tegenwoordigheid van dit harde, steenen kind, dit metalen, dit houten kind, dat zij met haar vleeschelij k lichaam, haar lijflijke lijf had voortgebracht. God, god, hoe was 't mogelijk! Hoe kon men als echte vrouw zoo'n soort van mummie ter wereld brengen ?

„Wat kijkt u me gek aan," vond Trude degelijk. „Zoo verwonderd. Ik ben 't, héüsch, hoor. Dag ma." De smalle oogballen lichtten van spot. Een oordeelend glimlachje krulde om haar witte, wat ongelijkmatige tanden, in haar gezicht het eenig frissche. Zij nam zich den pothoed met het ééne schamele lintje van het hoofd, waarop hij degelijk achterover gehangen had, en haar wijden mantel, bungelend over haar arm, verliet zij snel de kamer, om zich boven, in haar „hokje" op een droog boek te werpen, dat zij had medegebracht. Zij sloeg de deur zoo stevig toe, als moest deze voor eeuwig dicht.

Na Trude kwam Jenny. Zij had hoed en mantel in de gang afgedaan, en de rijke herfstzon, die thans als plots zich begroef in een vlammend wolkenrood, zette het meisje in vreemd weemoedigen gloed, verduidelijkend elke lijn van haar gestalte, elke trek van haar gezichtje.

„Dag mama." Zij naderde haar moeder met het rustig verzekerde, waardig bevallige, dat Mathilde zeer sierde, doch Jenny's jeugd al te veel temperde.

Sluiten