Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

paarde de jubelende mezzoklaroen, doch die kondigde den ondergang van haar heil, het dooven van haar licht, de verwoesting des tempels harer vreugde.

>Nun bast dn mir den ersten Schmerz getan,

Der aber traf....

Du schlafst, du harter, unbarmherz'ger Mann, Den Todesschlaf.»

En angstig terzijde opwaarts blikkend, zag Mathilde haar staan, het blonde kind, opperste belichaming van het lied, lijdend, bleeker dan ooit, bleek als een dóóde, doorhuiverd van het vreeselijke waarvan zij gewaagde. »Geliebet hab' ich und gelebt, ich bin ! Nicht lebend mehr. Ich zieh' mich in mein Inn'res still zurück.... *

De beroofde, de verlatene trok zich met een doffen noodkreet terug achter den voorhang van haar rouw; alles was zwart in haar en óm haar, van een donker door geen zilver van hoop meer te klieven. Zij wenschte, zij wilde hoop ook niet, zij wenschte een levend begravene zijn.

Tranen sprongen in Mathilde's oogen. Het was haar als had men gezongen een mis bij het lijk van haar levensvreugd. Zij staarde Jenny aan met leege oogen. Haar lippen stamelden. „Hóé.... hóé...."

Het meisje kwam tot zichzelf, als verdwaasd, als uit een slaap. Zij rilde en wischte zich het voorhoofd, dat klam uitsloeg. En zij keek de kamer rond, de kamer met het overbekende der ebben en groene meubelen en der platen aan de wanden, met de ronde, door groen kleed gedekte tafel, waaraan Ida, die het theelichtje stilletjes had laten branden, zat te lezen. Zij zag het portret van haar vader. Haar oogen, moe van dolen, vestigden zich eindelijk op haar moeder. Haar lippen konden ten slotte vormen de vraag: „Hoe vond u 't, ma? Was 't beter nu? Goed?"

„Kind, je was eenvoudig buiten je zelf. 't Was heel mooi, maar zoo kan je niet blijven zuigen."

„O ja ma, jawel. Ik voelde me zoo heerlijk, zoo één met Schumann " Zenuwachtig wreef zij de smalle handen.

„Ik vond 't wel goed," oordeelde Ida, met neerdalende

Sluiten