Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

weer de baas werd. En daarenboven dat genadige van hem. 't Was waar, hij was Nolette.

„Nou, je mag mij wel laten zien, schoon ik daar niets op

ben gesteld. Ik doe 't enfin voor jou, uit ouwe

vriendschap, en je weet, m'n tijd is beperkt. Nu vind je me zeker weer vreeselijk ijdel." Hij lachte haar verlegenheid uit.

„Adieu," zij vluchtte weg van hem, zoo plots, dat hij haar verbluft nakeek, niet gewend dat vrouwen van hem wegliepen, en dit zonder de hand uit te steken of hem smeekend aan te zien.

Zalig herlevend, omdat zij hem gezien en gesproken had, ging Mathilde als in een droom door de drukke straten. Wat was hij knap, fijn, interessant. Hij mocht ijdel zijn, maar er was toch iets beminnelijks in zijn oprechtheid. Zou hij nog komen? En zij wachtte hem, smachtend

Hij kwam, aangetrokken door het bruuske in haar, dat hem nieuw was, na zooveel vrouwenvergoding, en ook door haar lieftallige schoonheid, haar nog ongerepte frischheid, die bij nu pas zag met oogen van man, wonder genoeg. Hij was

ook een beetje nieuwsgierig naar haar stem Niet dat

hij daarvan iets bijzonders verwachtte

Zij zong en kon er bijna niets uitbrengen met toegeknepen keel

„Ik kan niet vandaag," stamelde zij.

„Maar voor mij hoef je je toch niet te geneeren, wij kennen elkaar al zoo lang."

Hij begeleidde haar, op haar piano, die de helft van haar kleine zitkamertje in beslag nam. Het ging nu beter, maar hij schudde het hoofd. „Waar is 't vonkje?" vroeg hij. „Waar is 't mooie warme ? En nog altijd muziek die niet voor je geschikt is. Jij moet niet smachten of jubelen. Stemmig, vroom, dat past ook beter bij je door niets bewogen innerlijk.

Wie had je voor leeraar, je had bij dinges moeten gaan

hoe heet hij ook weer

Hij bleef nog thee bij haar drinken, en het was haar een marteling zijn bemind gezicht te zien, zijn opgewekte kout te hooren. En toen hij weg was, terwijl de klank zijner stem nog hing, nalachte in het vertrekje, schreide Mathilde bitter.

Sluiten