Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Graag. O moe," Everdien hield op met knabbelen, „vertel u nou mevrouw eens wien we gisteren op straat hebben

ontmoet 'n beroemdheid overal bekend, tot in

Amerika toe! En 'n goeie kennis van u en ons!"

Mathilde, die zich wit voelde worden, wist wat komen ging, zuchtte: „Ik en een beroemdheid." Een ziek glimlachje verwrong haar lippen.

„Och Mathilde, je kent hem best, 't is je ouwe kameraad nog uit Amsterdam, Henri Nolette," moedigde de oude mevrouw aan.

„O die." En terwijl Mathilde's stem haar best deed

zoo achteloos mogelijk te klinken, stond hem hart bijna stil bij het weten dat hij hier was in levende lijve, hij, die in de laatste dagen niet uit haar denken en voelen was geweken.

„Ja, hij komt hier concerten geven en dan een paar maanden in Holland rondzien, rusten, vrienden en kennissen nog eens opzoeken. Gut, ik wist niet wat ik zag, nietwaar Eef ? ik liep met Eef op de Toussaintkade, toen der op eens een meneer, een chique, met zijn hoed in zijn hand voor ons stilstond en zei: .Pardon dames Mevrouw HelmSchut ?'.... Ik zei, ja meneer, dat ben ik.... dat u me

nog zoo herkent en u moet meneer Nolette zijn, die

naast notaris van der Pel heeft gewoond als jongen. Ik vind dat u nog altijd sprekend op uw vader den dokter lijkt. En toen begon bij te lachen, zoo lief en zacht, net als vroeger, als jongen. O, hij was zoo minzaam, niet Everdien?"

„Ja, gut ja, nou of, en dat voor zóó'n beróémd man, want als je zóó beroemd bent...." vond Everdien.

„Hij zei dadelijk: „Ja, u woonde in de buurt van ons en de van der Pel's'.... of zoo iets, niet Eef ?"

„En e .... heeft hij.... komt hij ...." Mathilde sprak

met een strakken glimlach.... „dus hier concerten geven ?" En onderwijl luidde het in haar ooren:

„Nolette hier, Jenny hooren, zij Mathilde nu vrij, Henri

Nolette ook vrij O hij hier nu in deze kamer, in plaats

van de eenvoudige Helms. En tot de Helms sprak zij zeer prozaïsch nadrukkelijk: „Ja, we waren zóó lang buren."

En dit bracht dadelijk wat zij zoo hevig wenschte: „O ja,

Sluiten