Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

een groote vreugdevolle verlichting, in plaats van de diepe verslagenheid welke haar had moeten verslappen, en neer doen zinken op een stoel.

„In godsnaam, het zou dan maar van kwaad tot erger moeten komen. Fais ce que dois, advienne que pourra.

Wat zouden de meisjes zeggen! Zij moest ze maar liever niets vertellen nog. O het was te erg, te erg, die tirannie van de hatelijke Suzanne. Jaren lang, gedurende Pauls leven, had zij het zonder morren verdragen. Paul, die goede, verdroeg het ook, hij besefte trouwens niet wat zijn vrouw er door leed, en zij Mathilde wilde hem vooral in zijn ziekelijken staat niet aanhoudend lastig vallen met klachten. Ook vond ze dat mannen niet altijd kunnen treden in de gevoelstoestanden van vrouwen, die zij dan van zemen of spijkers op laag water zoeken te beschuldigen; de tusschen haar en Suzanne afgespeelde tooneeltjes bleven dus meest geheim voor Paul. Zij meende dat Paul wellicht nu, hoe lief hij haar ook gehad had, haar doen gewaagd en onverstandig zou hebben geacht; „maar al verloor zij er nog zooveel mee, zoo was het niet langer vol te houden. Zij kon haar niet meer in haar ooren dulden, die krijschende schelle stem, zij wilde het niet langer aankijken dat snibbige, vinnige, gore gezicht, van een klem als een bedorven meelspijs. Alles moest op den Stationsweg ingericht zooals mevrouw Frits dat verkoos.

Neen, zij zou wachten met den meisjes iets te vertellen, tot zij wist hoe Frederik de zaak zou opnemen. Etha had haar partij gekozen. In elk geval, flink van dat kind. Dan zat er toch heusch pit in, karakter, goedheid. Zeker van grootvader Polenius geërfd, daar zij Pauls dochter niet was. God, wat een noodlot was er toch over Mathilde van der Pel.... Laat zien, als Frederik lief genoeg was haar geheel in den steek te laten, wat moest er dan van haar worden?"

Er kwam een dichte auto den Stationsweg overgesnord, zij verdonkerde het uitzicht door Mathilde's tullen gordijnen, hield stil voor haar deur. De chauffeur sprong luchtig van het voorbankje af, schelde. „Hè, wat was daar nu weer? Frederik toch niet? Dat ontbrak er nog maar aan." Maar

Sluiten