Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

betokkelend de snaren, de andere ze betooverend met den strijkstok, onder wier gestreel zij opleefden, wondere wezens welke smeekend zongen. Al die jaren tusschen toen en nu, zoo zwaar van allerlei gebeuren, waren toch heengevlogen, lichte vogels naar de verre onafzienbare landen van het verleden; de gewesten der vergetelheid. Die jaren ze hadden meegenomen haar ouders, drie van haar broers en zusters, haar man; ze hadden eens nabije vrienden een verblijf aangewezen in Amerika of Australië. De vrijheid, waar zij, vooral in het begin van haar huwelijk, zoo naar gezucht had,

was thans de hare Maar ten koste van wit al niet.

Haar mooie jeugd had zij erbij ingeboet. Dwazin, die een paar dagen geleden voor den spiegel had gestaan, zich wijsmakend dat zij nog jeugd in zich had, jeugd vragend om geluk. Zij wist zich immers oud, zij voelde zich oud, eenige oogenblikken later had ze zelfs tot Jenny gezegd: „Ik ben al gestorven." Dat verlagende hunkeren. In stille voorname gelatenheid moest zij de herkregen vrijheid nu beschouwen als iets voor haar nutteloos, gebonden als zij was door haar kinderen. Gek, dat zij zulke oplevingen, zulk een valschen herbloei van de lente des levens nog gehad had, terwijl haar

arme gekneusde hart nu toch waarlijk te bejaard was Zij

moest er aan denken, tróuw aan denken, in geval zij Nolette eens sprak. Zij, die haar narigheid had, haar zware zorgen. En weer neep haar fel de herinnering der vreeselijke handelwijze van Frederik, tot haar het bloed in hevige beschaming naar de wangen steeg, en zij het vochtig voorhoofd

moest wisschen. „Schandelijke kerel " In de morgendruk-

tetjes, waar tusschen Everdiens bezoek even helder was komen doorvroolijken — („die goedige brave kinderlijke Everdien, die geen flauw begrip had van wat hartstocht was") — had Mathilde Frederik zoowat vergeten, schoon zijn daad van gisteravond steeds brandde op de onderste laag haars bewustzijns, maar nu kwam de hopeloosheid weer zoo ten volle over haar: „Wat móést zij beginnen, wit? Slaagde zij nu maar met den verhuur der kamers, en dan Frederik schrijven, ja zeker, schrijven. Maar wit schrijven?" Toen kwam plots een zon blinken door den overnevelden horizon van haar

Sluiten