Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

naar zijn gelaatsuitdrukking te oordeelen, een machtig behagen te scheppen in deze gymnastische oefening. „Ja juist, precies." Daarna stapte hij met de beslistheid van iemand die in een venduhuis de tentoongestelde meubels wil beschouwen, naar Mathilde's bed, lichtte de sprei op, en bezag aandachtig lakens en dekens.

,,'t Is mij maar te doen om goed beddegoed, ziet u?" berichtte bij met een sluw even-glimlachje. „Als ik geen goede matrassen heb, kan ik niet slapen." Zijn hand gaf een klap op het onderlaken.

„Wat een onbeschofte man," dacht Mathilde, die haar lippen knauwde en met de oogen pinkte van ergernis. „Ik geloof niet dat ik hem neem, al wil hij komen!"

„Apropos," J. F. C. Lupanus onderbrak zijn beddeninspectie, „waarom woont u zoo ver van de komedie?"

„Van de komedie ?" herhaalde Mathilde in één verbazing. „Ja, van de komedie, en van 't Gebouw van K en W en van de zaal Diligentia, in 't kort van alles waar amusement is."

„Daar heb ik heusch niet aan gedacht, toen ik hier kwam wonen, jaren geleden."

„Ja, voor u zélf," hij loerde haar weer aan, met gebogen hoofd, van onder zijn piekige wenkbrauwen uit, „voor uzelf hoeft u er ook niet aan te denken, maar u moet denken aan uw huurders. U adverteert om beschaafde menschen zooals ik; die zijn kunstlievend, die gaan naar de komedie, naar concerten, naar zanguitvoeringen. Voor uw huurders en van uw huurders moet u leven. Toen u dit huis humde, had u aan uw huurders moeten denken."

„Maar ik had er tot dusver geen."

„Wit ? Nooit huurders gehad ? Nóóit ? Aaaah dat verandert de kwestie " J. F. C. Lupanus had de kin nu uit

het kussentje van zijn das geheven, nam die in zijn hand, en zegepraal lachte slim uit zijn half toegeknepen oogjes Mathilde toe. „Zie je, zié je, ik dacht ook al dadelijk, daar schuilt wat

achter; daar is iets vreemds aan. Aan die e dime. Ze

heeft zoo niet de geschiktheid, ze is zoo niet met 't vak bekend.'

„Nee, goddank niet," ontsnapte haars ondanks aan Mathilde's lippen.

Sluiten