Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

terug van een tweede bezoek bij zijn schoonzuster. Die geheele week had hij in even pijnlijke onrust en onzekerheid geleefd als Mathilde zelf. Zijn innerlijk was een chaos geworden van onaangename gewaarwordingen, die hem kwamen verschrikken, en zelfverwijten die hem begonnen te kwellen. „Waarom reeds vroeger Paul om harentwille niet meer gegeven, waarom haar na Pauls dood zoo kort gehouden ? Begrijpelijkerwijze haatte zij hem om zijn gierigheid. Had hij zich steeds edelmoedig tegenover haar betoond, dan zou zrj nu waarlijk wel anders tegenover hem staan. Hij was toch een wonderlijk toestel, néén 'n lam toestel. Hij had altijd zielsveel van deze vrouw gehouden, en nooit iets gedaan om haar te winnen. Haar ergste vijand was hij zoowat geweest. Ezel! Zijn vrekkigheid, hoogmoed en gekrenktheid over haar versmaden van zijn knappe persoon hadden hem parten gespeeld. Daar begon je toch altijd mee: met géven. Verdomd stom van hem, verdómd stóm! Enfin, niets meer aan te doen, niets meer." Hij voelde zich klein als een kind, nu hij goed begreep hoe en waarin hij tegenover haar gefaald had. Zijn gansche brutaliteit en eigengerechtigdheid waren pfff t..... geblazen. Dit was nu de reactie na zijn hartstochtelijken uitval. Een groote moedeloosheid sloeg hem neer.

Eiken dag zette hij zich tot schrijven aan Mathilde, en eiken dag verscheurde hij een dozijn velletjes; nimmer bracht hij een brief naar de bus. Geschreven woorden deden hier zoo belachelijk, wat moest hij haar op papier vertellen? Hij kon haar om vergiffenis smeeken voor zijn gewaagd optreden, maar dit wilde hem wel allerminst de pen uit. Hij was nog altijd Mr. Frederik Polenius, en zij van hem afhankelijk „Zóó kon en zóó hij zich alsjeblieft niet vernederen. Schreef zij nu maar, liet zij nu maar wat van zich hooren. Goed of kwaad, al om 't even, als ze maar schreef, 't Was je verduiveld, een spanning om niet vol te houden."

En opééns kwam haar brief. Hij verbleekte, toen de knecht hem dien boven bracht, Hij keek den man de deur uit, en zijn hand, waarin hij de enveloppe kreukte, beefde. Hi] bestudeerde eerst haar schrift wat het adres betrof. „Zij had toch een flinke hand, vol wil, meer mannelijk dan vrouwelijk;

Sluiten