Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Ah.... la voila, la voila....!" klonk het hartelijk, vlug, vroolijk, en zijn welbekende gestalte stond in de deur, welke de meid, nieuwsgierig, langzaam achter hem sloot. De oude warmte tintelde haar toe uit zijn geluid, de oude zon glinsterde haar tegen uit zijn oogen, toen hij, in twee stappen bij haar, onstuimig haar handen greep en die kuste. „Matty, kind, hoe gaat 't hè, mijn hartsvriendin ? Ja, ik zag je gisteravond wel Ben ik er niet gauw?"

Haar innerlijk, zooveel jaren huiverend in koude, verkwikte zich aan den gloed die beweldadigend van hem uitging. „Goddank, hij had haar niet vergeten, hij behoorde haar nog eenigszins. Zij wilde iets zeggen, kon niet, schaamde zich, wilde koel zijn en redelijk, en schoot eindelijk los in een heftig snikken, haar gezicht bergend in beide handen, al haar wijsheid weg, haar lichaam één klopping van geluk dat hij voor haar stond en dezelfde lucht inademde als zij. Zij was niet gestorven, als zij tot Jenny gezegd had, néén, néén zij leefde, wilde genegenheid, liefde; haar ten doode gedoemd hart schonk zij genade en vrijheid, en het jubelde, juichte. Zij voelde zich niet Pauls weduwe, niet de moeder van Trude, Ida, Jenny, Jules; zij was Mathilde van der Pel. Mathilde van der Pel, die, na jarenlange bange scheiding, het wezen haar eens boven alles dierbaar, weervond. Zij laafde zich aan zijn stem, zijn oogen, zijn gezicht, zijn handen, die de hare weer grepen.

„Arme lieve Matty," hij sloeg luchtig den arm om haar schouders, trok haar handen weg, droogde met zijn zakdoek haar tranen. „Geschrikt? Te onverwacht gekomen? Ik voel me diep schuldig...." Hij trachtte zijn verlegenheid met haar houding weg te schertsen, en dit bracht haar, de fijne opmerkster, tot zichzelf, deed haar zich stalen in trots. „God, wat dééd zij ? zij was gek .... liet hem raden wat hij niet mocht raden "

„Pardon Henri, pardon. Ga zitten," zij schoof een stoel voor hem aan; hij gooide zijn jas over de leuning, zette zich.

„Ik kwam je bespottelijk voor natuurlijk, maar ik heb vooral in den laats ten tijd zoo oneindig veel te dragen gehad en héél alleen, en jij bracht me zoo op eens mijn onbekom-

Mathilde Polenius. 18

Sluiten