Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

haar onbedorven jonge hart. Het sprong haar gezichtje uit. Het madeliefje ontvouwde thans de blaadjes, het gouden hartje lag zich zalig te koesteren in de warme zon, afstralend van het wezen des dierbaren." Was hij er niet, hoe kon Mathilde het Jenny dan aanzien dat zij over hem peinsde. „Net als ik vroeger, dacht de moeder, levend nog eens óver haar eigen jeugd-tijd vol droefenis wegens haar niet begrepen worden. Haar harteklop destijds was die van Jenny nü, doch terwijl zij minde den gelijke in leeftijd, had Jenny lief een man zóóveel ouder. „Wonderlijk kind.... iets bijna abnormaals." En Mathilde, Nolette gadeslaand, veronderstelde hem gevleid in zijn eigenliefde van man, door de hulde van dit frissche jonge wezen, dat zijn jaren niet scheen te tellen, maar den mensch en den musicus in hem aanbiddend, smeekte om wederliefde. Zijn oogen rustten, volgens Mathilde, het koozendst op Jenny, zijn geestigst, joligst gezegde had Jenny; hij kreeg niet genoeg van haar mooie stem, schoon hij, met ooren van kenner, haar prestaties scherp critiseerde, doch dit werkte uitstekend, en Jenny nam zijn op- en aanmerkingen dankbaar aan, terwijl zij bij mama dikwijls kon tegenstribbelen ....

Neen, ook Jenny mocht mama mets verwijten, en daarom mede trok Mathilde zich, naar zij meende, onbemerkt terug van Nolette, en zij kwelde het kind niet meer met wijze vermaningen. Er was toch niets aan te doen. Wat moest zijn, zou worden zónder en mét Mathilde Polenius. Men kon onmogelijk het fatum een koord om den hals binden en het heentrekken waar men het wilde hebben. Het leek Mathilde ook toe dat Nolette, tegenover haar, de moeder van Jenny, een goedmoedige hartelijkheid, zekere joviale kameraadschappelijkheid in acht nam, en zij giste niets van zijn wanhopige pogingen, welke het onzichtbare scherm tusschen hen omver wilden gooien. Zij voelde integendeel de kwetsuur in haar hart van vrouw, dat het uitschreeuwde van pijn, daar de geliefde haar versmaadde voor een jongere, haar eigen Jenny. O, Jenny had toch geen recht. Mocht Mathilde Polenius, na zooveel jaren lijdens in duisternis, dan nog niet even de zon zien?

Sluiten