Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dueel." En haar denken ging naar van der Wenden, hetgeen tegenwoordig zonder dat zij het zich toe wilde geven, al meer en meer gebeurde.

Frederik gunde deze rosharige nicht, die zeker al dit verstand had opgedaan aan het ministerie, waar zij door zijn bemiddeling geplaatst was, geen blik meer; verhief zich, aan zijn baard plukkend, ongeduldig van zijn stoel. Mathilde dronk haastig, staande, een half kopje thee; drong Etha, die een koortsdorst had, een groóten kop op, en ging naar boven, zich kleeden tot uitgaan. Tien minuten later rolde de auto haar, Frederik en Etha naar de Celebesstraat. De goede Helms over koetjes en kalfjes steeds allergenoegelijkst wijdloopig, toonden tot onuitsprekelijke verlichting van Mathilde en Etha een tact en bescheidenheid, welke eerbied afdwongen, en Frederiks verwondering in hooge mate wekten. Hun spoed van handelen gepaard aan verbazing-inhouden en beknoptheid in uiten, deden hem aangenaam aan. Everdien en de meid vlogen dadelijk naar zolder, om een bed, stoelen en een tafeltje naar beneden te sjouwen. Eén kabinetje werd ingericht voor slaapkamertje, het andere voor zitkamer. Etha, zorgzaam toegedekt door mevrouw Helm, rustte zoo lang op de canapé in de huiskamer, en werd niet lastig gevallen door overmeewarigheid. Frederik dankte mevrouw Helm oprechtelijk, betaalde een maand vooruit pension en betoonde zich tegenover mevrouw Helms dienstbode zeer royaal. Hij wilde zich als een gentleman doen kennen. Al wat kon pleiten voor hem bij Mathilde, moest aangewend. Wel beschuldigde hij in strijd met haar verlangen, zijn vrouw van misdadige neigingen. Als hij later gescheiden was, zou de wereld ten minste ten zijnen gunste oordeelen.

Mevrouw Helm en Everdien schudden beklagend het hoofd, doch zeiden niets. „Wat kón je er ook op zeggen."

„Nu, ik kom vandaag nog naar mijn dochter kijken, ik vertrouw haar volkomen aan u toe, ik laat haar met een gerust hart over aan uw uitstekende zorgen."

„We betuigen u onzen dank, meneer Polenius, dat u bij deze droeve gelegenheid aan ons hebt willen denken. Gelooft u ons, mijn dochter en ik zullen al 't mogelijke doen, om ...."

Sluiten