Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

heen? Waar? Natuurlijk naar dat mensch op den Stationsweg. En zij kon machteloos hier in bed liggen, niemand om een woord tegen te spreken, haar nood te klagen. Daartoe was zij met haar klapperende tanden niet eens in staat, laat staan dat zij op straat ging, om de twee te zoeken. Zij zou zich dan zoo goed als in de armen van den dood werpen. En wat gaf het, al vond zij ze? Zij stonden, sterk in hun recht, tegenover haar." Want zij kwam, al denkend en denkend, zoo ver de koorts het haar toeliet, nu toch tot een klaar besef van wat haar strafoefening voor gevolgen had. „Niets, niets had zij gewonnen; wel veel, ontzettend veel verloren. En dat, na een ganschen avond haar daad beraamd te hebben." Een hevig berouw doorknaagde haar; niet het berouw der moeder, die zich vergrepen, heeft in blinde drift aan haar dierbaarst bezit, haar kind; neen, Etha had gekregen wat Etha verdiende, doch Suzanne vergaf het zich niet dat zij Frits nu meer tegen had dan ooit. „Om zijnentwille zou zij Etha hebben moeten sparen, het ellendige kind, waar zij nooit iets dan verdriet van ondervonden had."

Bijwijlen verloor haar tobben zich in vizioenen van mensch en lang geleden gestorven, in ijlen. En soms als zij haar vader, moeder, of Frits met een dikke zweep op haar zag afkomen, gilde zij het uit in doodsangst, en versterkte het dienstdoend personeel in de meening dat zij volslagen krankzinnig was.

„Zie je wel? Zie je wel?" riep de keukenmeid. „Wat motte we met zoo'n razende gek anvange ? Ik ben der van me tranemontane van, dat ken ik je zegge. Was meneer maar thuis! God god, ik wou dat meneer der maar was!" En de meiden, bleek en bevend, elkaar opwindend, scholen bijeen. Niemand genaakte Suzanne's gesloten deur, behalve Koosje, de kamenier, gedreven door plichtsgevoel en een greintje medelijden. „Was 't mensch gék, dan was 't toch ook wel stumperig." „Daar héb je nou géld." wijsgeerde de keukenmeid, als Koosje van een dezer vergeefsche tochten schouderophalend terugkwam, „heb jij nou maar géld." En na langdurige beraadslagingen vonden zij uit „dat geld wel heel veel was, maar tóch niet alles."

Sluiten