Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vensterruit, een vergeten vuilnisemmer en een huismoeder met drie kleine kinders en een op de komst, zijn geestelijk evenwicht.

Toch slaagde hij er weer in, in plezierige stemming de straat te bereiken, waarin huize Welgelegen stond.

Hij verwachtte in de vestibule zijner woning de geur te ruiken van den bij uitstek vaderlandschen kost, hutspot genaamd, een gerecht, waarvan de naam alleen al een historischen klank heeft, die geestdriftig resoneert in het hart van iederen weidenkenden Nederlander.

Hij verwachtte dit, omdat hij Mietje 's morgens groote roode wortelen had zien koopen en goudkleurige uien, en bovendien een stuk van een gesprek over dat onderwerp had opgevangen tusschen Marie en Mietje.

En hij verheugde zich daar nu uitermate op.

Het lag in zijn lijn nietwaar? Om aan zulke kleine geneugten een groote plaats in zijn hart in te ruimen, nu de gedachte aan dingen van meer ernstigen aard zijn plezierig evenwicht zou kunnen verstoren.

Dus dacht hij zijn woning naderend met stijgend vermaak aan hutspot en aan niets anders.

De vorige keer was het gerecht minder goed uitgevallen: Deodaat had bijna zijn valsch gebit ingeslikt bij zijn inwendige worsteling met een hard stuk wortel, dat niet door te bijten was. Mietje had het geval opgehelderd door de mededeeling dat er enkele „stokkerige" bij waren geweest.

Nu zou het stellig beter zijn.

Hij stelde zich de schaal voor, dampend, ongewoon hoog opgetast, zoo hoog, dat het deksel er niet op kon, een geurige vochtige massa, bleekgeel met helder oranjerood doorvlekt en goudvliezig geaderd; en op een platte

Sluiten