Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

schaal zag hij -het klapstuk, geurend naar de bouillon, die nog lekte uit het sappige vleesch.

Ja, ja, het leven had zijn waarde nog wel!

Tot deze aangenamen slotsom was hij juist gekomen toen hij de stoep optrad, de voordeur opendeed en naar binnen ging.

Hij snoof.

Maar in stede van hutstpot rook hij iets van odeur en tegelijkertijd zag hij dat de kapstok veel leek op een door elkaar gevallen etalage van een zaak in dames- en heerenmodes.

Nog keek hij lichtelijk onthutst naar dit verschijnsel, toen Mietje kwam aansloffen uit de zijgang.

„ Is er bezoek?" vroeg Deodaat zacht, met een hoofdwenk naar de woonkamer.

„ Uwes bruidis 't er, meneer," zei Mietje, „ik geloof dat ze op u wachten en daar bennogeenouweheermet'nj uff rouw, Berkel geloof ik, dat-iezei en nog een heer en een dame...."

Deodaat die de knoopen van zijn jas al los had, maakte ze haastig dicht, deed onderwijl de voordeur weer open en ijlde zonder iets tegen de verbaasde Mietje te zeggen de stoep af en de straat op, waarbij hij echter tegen een blond jongmensch opbotste, dat „Pardon" zei, zijn hoed, die trouwens toch door den schok zou afgevallen zijn, afnam, opzette en vervolgens met een verbaasden glimlach den wegijlenden meneer een oogenblik nakeek.

Dan haalde het jonge mensch even zijn schouders op en trad naar de huisdeur.

Doch in stede van dadelijk aan te bellen, haalde hij uit den zak van zijn demi een stuk roode hechtpleister, belikte dat zorgvuldig en plakte het tegen zijn voorhoofd. - Dan belde hij aan.

Sluiten