Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Hij zag de anderen voorbijgaan, hield zich wat terug om niet opgemerkt te worden, keek hen dan na. Hij glimlachte.

Maar eensklaps verdween die glimlach, maakte plaats voor een uitdrukking van wrevel: een gesmoorde uitroep, die veel van een kernachtigen hollandschen vloek had, kwam over zijn lippen.

Een oogenblik stond hij besluiteloos, dan wendde hij zich om, keek rond in de vestibule, las de opschriften boven de loketten.

Eensklaps verhelderde zijn gelaat èn met vluggen stap trad hij op een dier loketten toe.

Sjors en Louis hadden de deur aan het postkantoor niet uit het oog verloren en stonden quasi te kijken naar de uitstalling vaa een sigarenwinkel aan den overkant van de straat.

„Waar blijft-ie toch?" zei Louis eindelijk.

,,'t Duurt lang," bromde Sjors en dan plotseling besloten, „Ga mee, ik mot een briefkaart koopen."

En ineens erg gehaast staken ze de straat samen over en traden het postkantoor binnen, keken rond in de hal.

„Wel wat bliksem!" ontviel Sjors.

„Daar heb je 'tl" zei Louis, die doodsbleek werd.

Deodaat was verdwenen.

Een oogenblik staarden ze elkaar met open monden aan.

„Vragen...." zei Louis dan op een der loketten wijzend, waarachter het hoofd van een ambtenaar zichtbaar was en hij liep er meteen, gevolgd door Sjors, op toe,

„Pardon meneer.... is hier zoo juist geen meneer geweest met.... e.... we zoeken iemand ziet u....," stotterde Louis verward.

Sluiten