Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Een meheer met een bloemetje op se jes," legde Sjors duidelijker uit.

De ambtenaar knikte, wees met zijn duim. „Is in de telefooncel...." i^V,

„O.-, potver...!" schrok Sjors, „daar hebben we niet om gedacht.... gauw mee....," en hij trok Louis haastig de hal uit en de straat op. „Hij mag ons hier niet zien."

„Wat een bak!" lachte Louis verlucht.

„Gauw naar de sigarenwinkel!" jachtte Sjors.

„We kunnen gerust een endje die kant op," zei Louis, '„hij kan niet weg snappen."

Dat deden ze; een tiental huizen verder wendden ze zich weer om en een oogenblik later kwam Deodaat het postkantoor uit.

Hij bleek aangenaam verrast hen aan te treffen en Sjors en Louis poogden zoo natuurlijk te kijken, als in de gegeven omstandigheden maar mogelijk was.

„Heel blij, dat ik jullie aantref," zei Deodaat, „want heusch, ik ben in een vreemde plaats dadelijk de richting kwijt en zou stellig verkeerd loopen."

„Het treft soo toevallig," zei Sjors, „hier Louis en ik moesten nog een boodschap...."

„Ja, ja....," zei Deodaat met een blijden glimlach, „en van dat toeval maak ik een nuttig gebruik; als u me nog even het huis van van Berkel zou willen wijzen. Of houd ik u op?"

„Nee.... o nee....," zei Sjors een beetje verward, en dan tot Louis, erg overbodig, „wat seg-ie?"

„Wat?.... O, nee.... heelemaal niet," antwoordde deze dan, al even verbouwereerd.

Dan stapten ze met zijn drieën weer in de goede richting; Deodaat was ongewoon spraakzaam, wijdde uit over

Sluiten