Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Als ik nu maar wist, waar Daad op het oogenblik is," zei Clara, „dan zou ik me weer bijna gelukkig voelen."

„Tja.... dat is moeielijk na te gaan," zei van Berkel.

„Hij vloog naar 't zuiden," zèi Tienus.

„Mogelijk gaat-ie fest de ooiefaar halen," veronderstelde Sjors.

„George!" sprak van Berkel, terwijl hij zijn vinger vermanend ophief en het hoofd schudde.

„Van Birrekel! Santjes!" zei Sjors, zijn glas hooghoudend.

„Ja," zei Karei, „dus richting Arnhem of Zutphen."

„Arnhem!" zei Gara, „daar heeft Daad een intieme vriend wonen, Doctor Brashout.... zou hij daar mogelijk?"

„Waar woont die?" vroeg Louis.

„Dat weet ik niet," zei Clara.

„De telefoongids... Carotje haal es even." zei van Berkel.

„George.... zoek es, wil je?" sprak hij, toen Carolien met den begeerden gids terug kwam.

„Sievoe..;," zei Sjors en dan tot Clara: „Brandhout seit-u?"

„Doctor Brashout," verbeterde Clara.

„Brashout," herhaalde Sjors al bladerend.... 's kijken.... Bol.... Bolle.... Brandeler.... ja, potverdikkie!" juichte hij eensklaps, „Brashout, Doctor A. J. Brashout. Boulevard 93..., Sebiet opbelle....!"

,,'t Is tien uur...," zei Tienus, „dat gaat niet meer."

„Morgenochtend," sprak van Berkel.

„Nu krijg ik ineens nog veel meer hoop!" zei Clara.

„Eet dan nog een paar sandwiches," noodde Trees.

„En drink eens," zei Tienus, die de beurt van rondschenken had. •

„De soeptrien is leeg!" riep Sjors met een vollen mond. „Trees, je sel nog sentwisjes te kort komme!"

Sluiten