Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Goed geslapen, Klaartje?" vroeg Trees hartelijk, toen Clara den volgenden morgen klokke tien de tuinkamer binnentrad, waar Trees huiselijk bezig was om asperges af te halen, een werkje waar Agnes haar bij hielp, terwijl Carolien, die alle bezigheden van huishoudelijken aard „afgrijselijk" vond er bij zat en moeder en zuster voorlas uit een romannetje van 't Leesgezelschap.

„Ja,"zei Clara, na de begroeting,,, Hoe wonderlijk het ook is, maar ik heb aan een stuk doorgeslapen tot acht uur."

„Heel verstandig," zei van Berkel, die juist binnenkwam en die laatste woorden opving.

Even later arriveerden Coos, Tine, Sjors en Karei.

„Waar is Louis?" vroeg de laatste, het gezelschap rondziende.

„O," sprak Clara, „Louis is zoo vreeselijk uit zijn humeur, daar is geen huis mee te houen. Hij wou niet opstaan vanmorgen, moest zijn ontbijt op bed hebben. Alles was hem onverschillig, zei hij en hij zou het liefste maar dadelijk dood gaan."

„Gutsjes," zei Trees, „hij zal de gaskraan toch niet openzetten?"

„Och nee," antwoordde Clara, blijkbaar niet erg ongerust, „maar 't is wel erg onredelijk van hem, want 't ligt toch heusch niet aan mij, dat Daad en ik nog niet getrouwd zijn...."

„Nou, dat zou ik waarachtig toch ook zeggen," viel van Berkel krachtig bij.

„Zelle we die dokter dan nou es opbellen?" vroeg Sjors.

Daarvoor waren ze te zamen gekomen om met Deodaats vriend, dokter Brashout, in telefonisch contact te komen, ten einde zoodoende wellicht ineens Deodaats verblijfplaats te ontdekken.

Sluiten