Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vonden geen bijval; het eerste zou vermoedelijk stuiten op tegenwerking van de zijde van den ambtenaar van den Burgelijken Stand en mogelijk ook van den betrokken veldwachter, terwijl het tweede alleen steunde op een in Nederland niet rechtsgeldige adat.

„Nee," antwoordde van Berkel, „jou neem ik niet mee, en ik neem niemand mee. Ik zal met de Jong spreken onder vier oogen als man tot man. Maar meen jij zelf een betere pleitbezorger voor de belangen van je zuster te zijn, dan trek ik me met liefde terug."

„O nee..., o, nee...," sprak Louis haastig en 'n beetje verschrikt, „zoo bedoel ik het niet, ik dacht, dat je mogelijk er tegen op zou zien, om alleen...."

Van Berkel schudde even zijn hoofd en maakte een beweging met zijn hand. „Ik zie nergens tegen op.... Maar," vervolgde hij even peinzend, „nu moet ik met Clara en met mijn vrouw confereeren, want als Clara er tegen is dat ik ga, dan blijf ik rustig thuis."

„Maar natuurlijk is ze er vlak voor!" riep Louis uit.

„Des te beter," antwoordde van Berkel met een kalmeerende handbeweging en dan tot George: „Vraag jij even of Trees en Clara hier komen?"

„Je ken d'r fest op an," sprak deze, terwijl hij met de andere heeren het conferentievertrek verliet.

Even later diende hij de beide dames aan: ,,'n Ruisebaantje hib ik nou, bode fen s'n excellentie. Excellentie, twee dames foor u, komen met u praten ofer de Ferloren Soon.... gaat u sitte dames, dat kost niks meer"; en Sjors schoof galant stoelen aan en verliet de kamer.

„George!" riep van Berkel nog, „als dat jonge mensch zijn boterhammen op heeft, zeg hem dan eens namens mij, dat het hoog tijd voor hem is, om naar school te gaan!"

Sluiten