Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Ik was eerst nog bang, dat het mislukken zou," sprak van Berkel, „Er was bezoek; toen ik in de gang kwam zag ik eerst een dame heel schichtig uit een deur komen, en die scheen erg van mij te schrikken en binnen trof ik behalve de Jong en zijn zusters nog een dame, een kolossale mevrouw, die al maar doorratelde met een vreeselijk accent. Ik ben er aan voorgesteld, ook aan die schichtige juffrouw, die even later binnen kwam, maar ik heb hun namen niet onthouden."

„Hè," sprak Clara, „wie kunnen dat geweest zijn? Mogelijk leden van „Levensvreugde," die vereeniging, waarvan Jeanne in 't bestuur zit."

Van Berkel knikte.

„Dat is wel mogelijk," sprak hij, „ze hadden het tenminste over een gezamenlijke rijtoer of een vergadering."

„Zie zoo lieve menschen," sprak Trees „het is bijna half zeven, wij gaan eten en ik jaag jullie allemaal weg. Tot vanavond half negen is er belet; wie daarna komt is welkom."

„Dan ledig ik dit glaasie op de gesondheid van van Birrekel, die dat omgefalle saakie weer soo handig op se pootjeS heit geset!" toastte Tine.

„Bravo.... Proost!" /iepen de anderen juichend.

Dien nacht sliep de heer Deodaat de Jong zeer onrustig en zonderlinge droomen kwelden hem.

Eerst droomde hij, dat hij meedeed aan de springprocessie van Echternach en als een devoot man erwten in zijn schoenen had gedaan, die hem bij eiken sprong afgrijselijke pijnigden.

Met een kreet werd hij eindelijk wakker greep naar zijn voet, die zeer bleef doen en vischte van tusschen zijn

Sluiten