Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Pebliek achteruit... of ik turf d'r op...."

„Zeg Kras, we magge toch kijken!" riep een vrouw.

„As..., as..., hik.... zijn edelachtbare d'r is..., eerder niet..., ga weg, vuilik...."

Dit laatste gold een jeugdigen mannelijken ingezetene van Heivoorde, die tusschen de familie mee naar binnen wou dringen.

Even later lukte het den dronken veldwachter toch met behulp van Sjors en Karei om de deuren weer zoo lang te sluiten, waarna het gezelschap in de raadzaal trad.

„Als de autoriteiten allemaal van dat allooi zijn, belooft het wat," sprak van Berkel, naar den veldwachter kijkend, die eensklaps zijn pet en stok op het groene laken gooide en uitriep:

„Gaat zitten mense..., doe of je thuis bent..., nee, ho effen..., bruid en bruigom daar..., en hier de getuigen..., ga nou zitten, potverdikkie..., en daar de stiefmoeders en de rest..., as 't bruispaar 'n rondje geeft..., hik..., dan haal ik de jandoedel..., leve 't bruispaar!"

„Nee maar, dat is toch ongehoord, zoo'n ontvangst!" riep Trees uit.

Sjors trad op Kras toe.

„Seg es..., ouwe fogelverschrikker, waar is je baas?"

„Me baas?" vroeg Kras, die voor iets dreigends in Sjors' houding achteruitweek en zoo tegen een stoel optornde waar hij half hangend in terecht kwam. „ Ik ben m'n eigen baas..., maar heb-ie geen sigaar voor me te leen..., hé...,? Ik zal 'm morgen weerom geven..., nee, waarachtig hik..., 'n man 'n man...."

„Gooit die vieze vent er uit," riep Karei.

„Ben ik dat?" vroeg Kras. „Vieze vent..., wacht es

14

Sluiten