Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

voor eene algeheele afschaffing in elk gewest een hoofdgeld van ƒ 2.— a ƒ 3.— zou moeten worden gevorderd. Tegen eene dergelijke verhooging had de Regeering indertijd overwegend bezwaar, terwijl de natuurlijke stijging door vermeerderde bevolking een te trage inkrimping voorspelde.

Daarom werd op de Indische begrooting voor 1902 een aanzienlijk bedrag boven het excedent (onuitgegeven bedrag) van het hoofdgeld uitgetrokken om daarmede vereenigd, de opheffing der meest drukkende heerendiensten zonder uitstel mogelijk te maken en ze door vrijen arbeid te vervangen.

Tevens werd de regel losgelaten om de opbrengst van het hoofdgeld alleen binnen het eigen gewest te besteden.

[Ontleend aan de Louter s Handboek (vijfde druk)].

Tegelijk met een zoo goed als algeheele afschaffing der heerendiensten werd in de jaren 1914,1915 en 1916 in alle der daarbij betrokken gewesten, behalve Mar doera, het hoofdgeld verhoogd.

Thans verschilt dit van ƒ 2.— tot ƒ 2.90 behalve in Madoera, de Contröle-afdeeling Karimoendjawa en het district Semarang, waar het hoofdgeld nog ƒ 1.— bedraagt.

Op de loopende begrooting — dit ter bepaling van de beteekenis dezer belasting — komt zij voor met een eindcijfer van ƒ 9.144.459.— op een totaal bedrag aan middelen van ƒ 346.123.925.— of ± 2y2% daarvan.

Sluiten