Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

en dan nog slechts voor zoover de inkomsten daarvan werkelijk een netto-overschot opleveren.

Ook al houdt men dit in het oog moet men toch tot de conclusie kome^i, dat Indië er in dit opzicht tot nog toe niet ongunstig voorstaat. In zijne zoo even aangehaalde openingsrede zeide de Gouverneur-Generaal: „De schuld, die op Nederlandsch-Indië rust, is betrekkelijk niet groot, en wordt verre overtroffen door de waarde van de Landswerken en -bezittingen1'. Ook al beperkt men deze uitspraak op zoodanige wijze, dat zij alleen slaat op rendeerende privaatrechtelijke werken en bezittingen, schijnt.zij toch niet onder de uitingen van een ongegrond optimisme gerangschikt te mogen worden. Doch dit mag niet verleiden tot het vellen van een onverdeeld gunstig oordeel. De financieele scheiding tusschen Indië en Nederland dagteekent eerst van weinig jaren her en het zou dus al heel erg moeten zijn, indien Indië in die weinige jaren zich reeds een schuldenlast op den hals had gehaald, die niet aanmerkelijk wordt overtroffen door de geldswaarde van zjjn economisch rendabele bezittingen.

Eenerzijds zou het van weinig inzicht getuigen een ongerechtvaardigden twijfel te wekken aan Indië's tegenwoordige credietwaardigheid, maar aan den anderen kant mag het feit dat die credietwaardigheid voorshands ongerept is, niet verleiden tot een daarop steunende financieele politiek, welke de tering niet naar de nering tracht te zetten. Wanneer de gewone uitgaven zóó hoog loopen, dat zij uit de gewone middelen niet kunnen worden gedekt en rechtstreeks of langs een omweg uit leeningsgeld moeten worden bestreden, gaat men aanvankelijk wellicht langzaam, maar indien men zich niet spoedig met alle kracht tot stilstand brengt, weldra in hollende vaart den berg af. Met klem werd dit in den Volksraad betoogd door den heer 's Jacob in de vergadering van 20 Juni 1921 (Handelingen bl. 255 en volg.).

Terecht zeide de Minister van Koloniën omtrent dit punt in de vergadering van de Eerste Kamer op 4 April 1922: „Aan den nood .van de Indische schatkist zal na het vernemen van de cijfers, die in de stukken en bij deze mondelinge behandeling te berde zijn gebracht, wel bij niemand twijfel bestaan. Men moge — de heer Vliegen deed het met een paar voorbeelden uitkomen — op de meest verschillende wijze denken over de kapitaalwaarde van het Indisch staatsbezit of bij vergelijking met andere landen zich verheugen over het bedrag van de Indische staatsschuld, één feit laat zich niet wegpraten, en dat feit is voor het oogenblik het punt, waarom alles draait: het tekort aan middelen, dat in de laatste jaren een zoodanigen omvang heeft aangenomen, dat de geheele landshuishouding met ontwrichting wordt bedreigd." (Handelingen 1921-22, bl. 587).

Indië is voorshands nog wel credietwaardig. Doch de Regeeringen in Indië en Nederland, de Volksraad en de Staten-Generaal hebben er nauwlettend op toe te zien, dat het zoo blijve. Schoot de overheid daarin tekort, dan zou zij, met welke

Sluiten