Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Wegens de overeenkomst tusschen het werkelijke inkomen van de physieke personen en het zoogenaamde inkomen van de vennootschappen, is het wel verklaarbaar, dat men in verschillende belastingwetten, zooals op het oogenblik in Nederlandsch-Indië nog geschiedt, ook de naamlooze vennootschap onder de inkomstenbelasting heeft opgenomen, maar dit neemt niet weg, dat dit technisch minder juist is, omdat daarbij de twee groote verschillen waarop hier werd gewezen, n.1. dat de naamlooze vennootschap geen draagkracht en geen eigenlijk gezegd inkomen heeft, worden verwaarloosd of althans verduisterd. Indien dit geen praktische gevolgen met zich bracht, zou men er in kunnen berusten, maar het heeft verschillende praktische nadeelen.

•Reeds werd er op gewezen, dat door die samenvoeging het ongerijmde van progressie ook in de belastingschaal der vennootschappen als toepassing van het beginsel van belasting naar draagkracht, niet in het oog valt. Men kan zeggen, dat dit vooral van praktisch belang is voor de belastingplichtigen.

Een tweede, evenmin te onderschatten nadeel van die gelijkwaardige behandeling van ongelijkwaardige grootheden ligt hierin, dat wanneer èn de naamlooze vennootschap èn de aandeelhouder beide in de inkomstenbelasting worden aangeslagen, aan laatstgenoemde door de belastingwet zelf de indruk wordt opgedrongen, dat hij in zijn inkomen dubbel wordt belast: eenmaal bij de vennootschap en ten tweeden male bij hem persoonlijk. Voor het vestigen van zulk een indruk kan alleen die belastingwetgever onverschillig zijn, die meent dat hij zich er niet om behoeft te bekommeren, of zijn heffingen al dan niet in botsing komen met het rechtsgevoel der ingezetenen. De belastingwetgever daarentegen, die beseft, dat het tot zijn eerste plichten behoort, de rechtvaardigheid in zijn verordeningen en in hare toepassing zoo dicht mogelijk nabij te komen, zal, waar hij in beginsel rechtvaardig is, niet alleen in zijn eigen fiscaal belang, maar ter wille van de goede verstandhouding in het algemeen tusschen overheid en burgers, zorgvuldig den schijn van onrechtvaardigheid hebben te vermijden. Hij zal er terdege mee rekening houden, welk effect zijne regelingen hebben op hen, die er aan zijn onderworpen. Vandaar dat het zoowel in het belang van de overheid als van de belastingplichtigen is, niet in ééne regeling samen te koppelen, wat niet bij elkaar behoort, en naar gansch verschillende beginselen uitgewerkt moet worden. Indien het waar is, dat de naamlooze vennootschap noch draagkracht noch inkomen heeft, kan het niet anders dan onjuist zijn, haar toch op te nemen in een Wet of Ordonnantie betreffende eene progressieve inkomstenbelasting, gegrond op het stelsel van belasting naar draagkracht.

15. De vennootschapsbelasting is niet een onderdeel eener inkomstenbelasting.

6. Behandelingalsonderdeel eener inkomstenbelasting wekt den schijn van dubbele belasting.

Dit geheele betoog leidt trouwens tot een conclusie, waartoe men ook langs anderen weg komen kan en die op geenerlei wijze is te ontloopen, n.1. dat de zoo-

17. De vennootschapsbelasting is een zakelijke belasting.

Sluiten