Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

18. Grootere beteekenis van de vennootschapsbelasting in een koloniaal land.

genaamde inkomstenbelasting van de naamlooze vennootschap niet een persoonlijke belasting is, maar een zakelijke heffing van eën bepaalde bron van opbrengst. In dit opzicht staat zij geheel op gelijke lijn met grondbelastingen, onverschillig of die onder die benaming, dan wel onder den naam van verponding of landrente worden geheven. In den breede werd dit met verschillende aanhalingen uit officieele stukken betoogd in het adres van den Ondernemersraad aan den Gouverneur-Generaal van Nederlandsch-Indië, d.d. Februari 1922, als bijl. II hierachter gevoegd. Bij de belasting der vennootschappen staat mén dan ook eenigszins buiten den eersten eisch die Smith aan de belastingen stelt. Alleen in zooverre staat ook deze heffing daarmede in verband, dat, waar tenslotte alle belastingen uit het inkomen moeten worden gekweten, of althans moeten kunnen worden gekweten, de zakelijke belastingen, waartoe die van de vennootschappen behooren, « zoodanig moeten zijn geregeld, dat zij in het geheele samenstel der verschillende belastingen medewerken tot een resultaat, waarbij aan dien eisch zoo goed mogelijk recht wordt gedaan.

In de Europeesche landen leidt dit er toe, dat aan dergélijke zakelijke heffingen slechts een secondaire plaats in het geheele belastingstelsel wordt toegedacht. In koloniale landen zou het gewenscht zijn, evenzoo te handelen, maar het verschil in omstandigheden laat dat daar niet toe.

In Nederlandsch-Indië worden van de niet-inlanders als persoonlijke belastingen alleen geheven de personeele belasting, de inkomstenbelasting (voor zoover zij niet drukt op naamlooze vennootschappen en daarmede gelijkgestelde rechtspersonen) en de successierechten; als zakelijke belastingen: de verponding, de zoogenaamde inkomstenbelasting van naamlooze vennootschappen, de extrawinst- en de overwinst-belasting en de productenbelastingen. Behalve de verponding drukken de zakelijke belastingen alle op het bedrijf en treffen zij in hoofdzaak het roerend vermogen. Als bedrijfsbelastingen staan zij op één lijn met de zegelrechten en de uitvoerrechten; de invoerrechten zijn ten deele bedrijfsbelastingen, ten deele belastingen op de vertering. De verponding treft het onroerend vermogen; de druk hierop wordt verhoogd door het recht op de overschrijving van eigendom van vaste goederen en het zegelrechtop de inschrijving van hypotheken.

Ook in dit opzicht is er verschil met den belastingdruk in Nederland, en in Europeesche landen in het algemeen, dat hier het onroerend vermogen zwaarder wordt getroffen dan het roerende, ook al zijn de klachten daarover in den regel sterk overdreven. In Indië daarentegen draagt het bedrijf en daarmede het roerend vermogen het leeuwendeel der zakelijke belastingen. Tot de verklaring van dit verschil kom ik zoo aanstonds. Daaraan dient een enkel woord vooraf te gaan over den rechtsgrond der zakelijke belastingen inzonderheid met het oog op de vennootschapsbelastingen.

Sluiten