Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Op de zooeven ontwikkelde gronden kan men intusschen wel dë vennootschapsbelasting zelve verdedigen, maar niet een progressie in den belastingdruk naar de door haar gemaakte winsten.

Zeer terecht zeide de heer De Geer in de vergadering van de Tweede Kamer van 8 Februari 1921 (Handelingen 1920—21, bl. 1377): „Op zich zelf bestaat tegen een progressieve belasting van rechtspersonen heel wat meer bezwaar dan tegen een zoodanige belasting van natuurlijke personen. Bij natuurlijke personen valt van progressie niets dan goeds te zeggen '), omdat zij rekening houdt met de draagkracht en met de afnemende nuttigheid van hoogere inkomensdeelen; maar bij rechtspersonen is dat geheel anders."

De voorstanders van progressie in de vennootschapsbelasting, voor zoover zij zich om beginselkwesties in belastingzaken bekommeren en zich niet vergenoegen met het alle ongerechtigheden dekkende argument dat de fiscus geld noodig heeft, zijn dan ook verplicht naar een anderen rechtsgrond te zoeken. Dit geschiedde o.a. door den heer Van Nierop in zijn rede in de Eerste Kamer, gehouden op 24 December 1907, waaruit ik zooeven een gedeelte aanhaalde. Na er op te hebben gewezen, dat het draagkracht-argument hier geen dienst kan doen, vervolgde hij aldus: „maar er is een andere grond waarop progressie bij naamlooze vennootschappen kan verdedigd worden, en wel deze, dat bij dezen ondernemersvorm zich vaak duidelijk vertoont buitengewone ondernemersrente, winsten, welke te danken zijn aan toevallige gunstige omstandigheden, welke van den wil of van handelingen van den ondernemer onafhankelijk zijn. Dergelijke buitengewone winsten behooren te worden belast. Men noemt ze in Duitschland Conjuncturgewinne, in Engeland unearned increment, ofwel, waar de ondernemer ze geniet, quasi-rente zooals Marshall ze typeerde ....

„En waar nu deze den ondernemer toevallende baten vooral waarneembaar en vast te stellen zijn bij de naamlooze vennootschap, is een progressieve belasting harer overwinsten gerechtvaardigd."

Deze verdediging, bij welke de toenmalige Minister van Koloniën, de heer Fock, zich aansloot (zie Handelingen Eerste Kamer, 1907—'08, bl. 100), is zeker knap en zulk een betoog maakt op hem, die er niet wat langer bij stilstaat, licht indruk. Niemand zal ontkennen dat er een goedë rechtsgrond is voor het belasten van conjunctimrwinsten; evenmin zal men kunnen betwisten, dat er in Indië onder zekere omstandigheden conjunctuurwinsten gemaakt worden (en bijv. in 1919 en 1920 in belangrijke mate gemaakt zijn). Maar een progressieve vennootschapsbelasting, die als een belasting op conjunctuurwinsten is bedoeld, laat alle winsten van dien aard, die niet door naamlooze vennootschappen gemaakt worden, vrijuit gaan en is door haar halfheid alleen reeds onrechtvaardig.

*) Ongetwijfeld doelde de Heer De Geer hier op een progressie die niet gaat buiten de grenzen, waarop ik hierboven in de § § 4—8 de aandacht vestigde.

20. De progressieve vennootschapsbelasting als belasting van conjunctuurwinsten.

Sluiten