Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van het land zelf. Hoewel schijnbaar het vreemde kapitaal, dat in koloniën belegging zoekt, alleen zichzelven dient, is dit in werkelijkheid anders. De kapitalist die met geld van elders in een kolonie aldaar braak liggende bronnen van voortbrenging in cultuur en in exploitatie brengt, is bij zijn pogen ongetwijfeld uit op bevordering van zijn eigenbelang, maar zelfs al zou het zijn tegen wil en dank, (wat bij de moderne opvattingen ook van ondernemers niet meer het geval is) kan hij zijn doel niet bereiken, zonder werkgelegenheid te scheppen en daarmede aan de bevolking, in welker midden hij zich vestigt, in meerdere of mindere mate verhooging van welvaart te brengen.

De van elders in een koloniaal land zich vestigende ondernemer trekt dus winsten uit eigenbelang, maar zal door de uitgaven, welke hij heeft te doen, rechtstreeks aan een deel der bevolking nieuwe bronnen van inkomst verschaffen en indirect door verbetering van verkeersmiddelen en dergelijke, zonder welke hij zyn doel niet behoorlijk kan bereiken, onvermijdelijk de algemeene welvaart verhoogen.

Dit is trouwens in het licht der moderne opvattingen de eenige, maar dan ook afdoende rechtvaardiging der koloniseering. In vroegere tijdperken der geschiedenis van de kolonisatie door Westersche landen werd de Inlandsche bevolking niet alleen beschouwd, maar ook behandeld als minderwaardig en alleen van belang voor zoover zij den kolonist kon dienen in zijn streven naar winstmaking. Langzamerhand is de opvatting op dit punt gelukkig veranderd, en tegenwoordig zou niemand een dergelijke houding als voorheen werd aangenomen en toen niet tegen het Westersche rechtsgevoel streed, meer durven verdedigen.

In de 17e en 18e, alsmede in een groot deel van de 19e eeuw kon men de verhouding tusschen kolonist en inlander met een enkel woord karakteriseeren als: parasitisme; tegenwoordig daarentegen wordt algemeen beseft, dat kolonisatie alleen dan gerechtvaardigd is, wanneer zij leidt tot symbiose, m. a. w. zoowel de in de latere jaren zeer veranderde en op hooger peil gekomen moraal van den ondernemer, als de thans eveneens hooger staande koloniale politiek geven waarborg dat, hoewel ongetwijfeld in bijzondere gevallen hier en daar het parasitisme nog wel niet geheel zal hebben uitgewerkt, het toch over het algemeen gesproken voor de symbiose heeft plaats gemaakt. Kolonisatie wordt thans alleen dan als gerechtvaardigd gevoeld, wanneer beide partijen, d. w. z. zoowel degeen die zijn kapitaal en zijn ondernemingsgeest naar de kolonie brengt, als de eigen bevolking van de kolonie, er voordeel uit putten.

Zoo wordt thans meer en meer gelukkig ook in Nederlandsch-Indië in het algemeen de verhouding tusschen ondernemer en Inlandsche bevolking. Deze beschikt noch over het noodige kapitaal, noch over den noodigen ondernemingsgeest, noch over de noodige kennis en ontwikkeling, om de hulpbronnen van haar land met eigen kracht te kunnen exploiteeren. Ze heeft daartoe èn het

Sluiten