Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

23. Het privilegieerend karakter der pro ductenbelastingen en uitvoerrechten.

In het "Yearbook of the Philippine Islands-1920" schrijft de GouverneurGeneraal der Philippijnen: "I cannot emphasise too strongly the necessity of outside capital for our developmenfc." De geest, die uit deze woorden spreekt, moet in het belang van Indië en zijn bevolking ook over de Indische en Nederlandsche autoriteiten vaardig worden.

Caveant consules!

Tegen de blijvende heffing van belastingen en uitvoerrechten op eenige be' langrijke stapelproducten, welke in 1920 door het Indische Gouvernement was voorgesteld, had de Nederlandsche Regeering overwegend bezwaar. Op bl. 5 van de Memorie van Toelichting bij de wetsontwerpen tot wijziging en nadere aanvulling der begrooting van middelen van Nederlandsch-Indië voor het dienstjaar 1920 en tot nadere wijziging en aanvulling van de Indische tariefwet (Zitting

1919 1920, 565, no. 3) schrijft' de Minister van Koloniën: „De gedachte om in

het algemeen eiken tak van landbouwbedrijven en, waar een bedrijf van gemengden aard wordt uitgeoefend, elk speciaal onderdeel daarvan, te onderwerpen aan eene bijzondere belasting van progressief karakter, waarbij het aangrijpingspunt niet in de gezamenlijke inkomsten van den belastingplichtige, als zoodanig, maar in de uitkomsten van elke cultuur op zich zelve wordt gezocht, staat lijnrecht tegenover de beginselen, waarvan bij de instelling der Indische inkomstenbelasting is uitgegaan".

Deze scherpe veroordeeling belette intusschen denzelfden Minister niet zijn zegel te hechten aan eene tijdelijke heffing van zulke principieel, af te keuren belastingen. Deze werd door dien bewindsman op grond dat „de belastingdienst in Indië vooralsnog onvoldoende toegerust (is) om inderdaad de vereischte waarborgen te verschaffen van eene scherpe controle op de aangiften van rechtspersonen en van physieke personen met aanzienlijke inkomsten" volstrekt noodig geacht „gedurende enkele weinige jaren, naast de algemeene heffing van de extrawinst belasting, ten einde met onderlinge verrekening als correctief daarvan dienstig te zijn", (t. z. p. bl. 6).

Vooral in het licht van den langen levensduur die vaak aan tijdelijke maatregelen beschoren is, schijnt het mij, ondanks.de vernietigende principieele eïjtiek van de zijde der Regeering zelve, niet overbodig ook de productenbelastingen en de hier bedoelde uitvoerrechten te toetsen aan de eerste der vier eischen van Adam Smith.

Als prealabele opmerking laat ik aan mijne algemeêne beschouwing over deze heffingen voorafgaan, dat zij buiten twijfel een zakelijk karakter hebben, en dus, aangenomen voor een oogenblik dat ze aan hun doel konden beantwoorden, reeds door het enkele feit dat ze werden ingevoerd ter correctie van en ter controle op de extrawinstbelasting, een aanwijzing geven, dat ook deze belasting een zakelijk karakter heeft.

Sluiten